Zwerfkinderen komen ooit in opstand

Wát ook gebeurt in Liberia of president Charles Taylor echt opstapt of dat hij een comeback op touw zet, en of de Amerikaanse mariniers nu landen of voor de kust blijven liggen – het kwaad is al geschied.

De getroffenen zijn het zwakste, kwetsbaarste deel van de bevolking: de kinderen. Naast alle andere ellende is het land een belangrijk centrum geworden voor de werving van de kindsoldaten die zo graag met grotemensengeweren op de foto gaan. Hetzelfde, maar dan veel erger, is gaande in Congo, in het zuiden, waar veertigduizend in de steek gelaten kinderen en pubers op drift zijn, klaar om zich aan te sluiten bij de eerste de beste ronselaar die hun een maaltijd belooft.

Als wij morgen willen leven in een wereld zonder Saddams, zonder Bin Ladens, moet er zeer dringend iets gedaan worden aan deze verschrikkelijke nalatenschap van de postkoloniale burgeroorlogen in Afrika. Leiders zullen zij misschien niet worden, maar voor de stoottroepen van zulke schurken zij zijn gefundenes Fressen.

Afrika, met zijn oorlogen, is misschien het ergste voorbeeld, maar het probleem van de (bijna) in de steek gelaten kinderen groeit in een verontrustend tempo in de meest uiteenlopende landen, zoals Cambodja, Thailand, India en Brazilië. Ik herinner mij dat twintig jaar geleden een non mij eens meenam naar een plein ergens bij het centrum van São Paulo.

Zij wilde mij daar een dertigtal kinderen laten zien die er sliepen zonder een dak boven hun hoofd. Ik was diep geschokt, want dat was voor het eerst in mijn toen al ruime ervaring als journalist dat ik dit verschijnsel te zien kreeg buiten een oorlogsgebied. Maar het was niets vergeleken bij wat er nog komen zou. Nog geen tien jaar later sliepen alleen al in Rio de Janeiro drieduizend kinderen op straat, en nog meer in São Paulo. In Brazilië zijn de misdaadcijfers de afgelopen twintig jaar sneller gestegen dan in enig ander land, met uitzondering wellicht van Zuid-Afrika. In een aantal gevallen is de politie ervan beschuldigd deze straatkinderen te hebben afgeslacht. Brazilië is van nature geen gewelddadig land het heeft geen oorlog gevoerd sinds 1870 en het heeft in 1855, als een van de eerste landen, de doodsstraf afgeschaft –, maar zijn ingewortelde relaxte cultuur is diepgaand verstoord toen de feodale ongelijkheid uit de 17de eeuw, waaraan vierhonderd jaar niets veranderd was, frontaal in botsing kwam met de consumptiedruk en de extreem snelle stedelijke groei van de afgelopen vijftig jaar.

In Cambodja, een klein, door oorlogvoering verregaand verwoest land, werken twintigduizend kinderen als seksslaven in bordelen. In India, dat binnenslands nauwelijks kwalijke gevolgen heeft ondervonden van zijn drie oorlogen met Pakistan en zijn ene grensoorlog met China, werken zo meldde het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken vorig jaar – 2,3 miljoen vrouwen en meisjes tegen hun zin als prostituees. Volgens een schatting van de Verenigde Naties is tweevijfde van hen onder de achttien. In Thailand en op de Filippijnen is seks met kinderen een hele bedrijfstak geworden.

De oorzaken hiervan zijn zeer gevarieerd, maar steeds zijn de omstandigheden rijp wanneer er ofwel oorlog wordt gevoerd, ofwel grote armoede heerst in combinatie met ongelijkheid – zij het dat in Thailand de meerderheid van de kindprostituees niet afkomstig is uit de armste gebieden, maar juist uit de dorpen die even aan de consumptiemaatschappij hebben geroken, en waar men zo snel mogelijk meer vruchten van wil plukken. Waarnemers hebben gewezen op het ontwrichtende effect van de grote Amerikaanse militaire bases in Thailand en op de Filippijnen. Maar dat verklaart niet de snelle groei van de kinderprostitutie in India of Brazilië, waar nooit buitenlandse legerplaatsen zijn geweest.

Ook in Afrika valt niet gemakkelijk aan te wijzen waar de oorzaak ligt. Voor een deel ongetwijfeld bij het Europese kolonialisme. Oorlogen werden ook voor de komst van de kolonisten al volop gevoerd, maar ze lieten toen geen zwerfkinderen na: wezen werden opgenomen in het familieverband van buren of veroveraars. De Europeanen hebben de Afrikaanse levenswijze diepgaand verstoord en zijn vervolgens vermoedelijk niet lang genoeg gebleven om een duurzaam nieuw bestuursstelsel te vestigen. (Idem de VS in Liberia, met hun langdurige halfslachtige inmenging.) Zij ontwikkelden steden en plantages en legden belastingen op, die de mensen uit hun dorpen verdreven naar de culturele anonimiteit van mijnen, landbouw op industriële schaal en steden, maar zij leidden niet meer dan een handvol mensen op – een half dozijn doctorandussen in Congo en zeventien in Zambia – ontoereikend voor de behoeften van een sociaal ontwrichte, snel veranderende staat.

Uitzoeken waar de schuld of de verantwoordelijkheid precies ligt is iets voor historici, en wie het oog gericht houdt op de toekomst, kan de erfenis van het heden alleen maar vrezen. Zullen niet ál te veel van deze kinderen opgroeien tot volwassenen die de wereld, die hun niets dan pijn en ellende heeft gegeven, willen stukslaan? Voor welke nihilistische zaak crimineel of politiek, of een sadistisch mengsel van beide zullen zij warmlopen? Bestaat er een realistische manier om iets te doen aan deze `lords of the flies'? Hoe kunnen wij voorkomen dat er meer bijkomen? Het lijkt erop dat wij alleen maar handenwringend toekijken hoe deze kinderen wegzinken in een maalstroom van wandaden, terwijl het gezonde verstand en de ervaring ons influisteren dat wij de gevolgen van onze dadeloosheid te dragen zullen krijgen – misschien wel op een heel vreselijke manier.

Jonathan Power is publicist.