Zenuwinzinking in Batavia

`Naporra's omweg', de biografie van de uit Oost-Pruisen afkomstige boerenzoon Georg Naporra (1731-1793), geeft een ontluisterend beeld van het leven van een VOC-matroos. De volgende week te verschijnen biografie is voor een deel gebaseerd op de nooit eerder bestudeerde autobiografie van Naporra. In 1752 monsterde hij in Amsterdam aan als matroos op het VOC-schip De Drie Papegaaien. Na een helse tocht van acht maanden vol ziekte, dood en ongelukken kwam hij aan in Batavia. Hier raakte hij in een diepe geestelijke crisis. Een voorpublicatie.

Nog geen drie uur nadat het anker was uitgeworpen, kwam een luitenant van het Bataviase garnizoen met twee korporaals aan boord. Zij riepen alle soldaten op het halfdek en monsterden hen. Ieder werd bij zijn naam geroepen en ondervraagd over zijn achtergronden en eventuele capaciteiten. Alle antwoorden werden genoteerd. Dit gebeurde om mannen met een bijzondere opleiding eruit te kunnen lichten en ze direct in te zetten op opengevallen plaatsen. Om twaalf uur kwamen drie scheepjes langszij, waarin de soldaten overstapten om naar de wal te worden gebracht. Het was volgens Georg niet te beschrijven hoe blij deze mannen waren om eindelijk van het schip verlost te zijn. Velen waren meer dood dan levend. Wie niet direct werd afgevoerd naar het hospitaal kreeg drie dagen vrij om te genieten van zijn `baarse dagen'. Ook ontvingen de soldaten twee maanden gage, waarmee in ieder geval nog wat uniformstukken konden worden aangeschaft, want de soldaten liepen er doorgaans in volkomen versleten plunje bij.

Tussen 1750 en 1760 stierf ongeveer veertig procent van de nieuw aangekomenen in Batavia; in 1753 waren dat 1765 man en alleen al van De Drie Papegaaien zouden in het halve jaar na aankomst eenenveertig man overlijden, vaak al direct na ontscheping in het Binnen-Hospitaal in de stad, een vochtig, slecht geventileerd gebouw, waar het altijd stonk en dat altijd overbevolkt was en dan ook de bijnaam `de moordkuil' droeg. Het Buiten-Hospitaal had een betere naam. Het was in 1744 gebouwd en had meer het karakter van een herstellingsoord.

De vierde dag komt de commandeur van de rede aan boord om de matrozen op het halfdek te monsteren. Het gaat hier om 188 man: van de oorspronkelijke 195 matrozen waren er enkelen overleden en een paar achtergebleven aan de Kaap. Het merendeel van de matrozen en de derde stuurman worden uitgekozen en verdeeld over twee andere schepen, de Sloterdijk en de Vlietlust. Georg blijft achter op De Drie Papegaaien, samen met nog dertig Hollandse matrozen en enkele onderofficieren. Nog diezelfde avond worden de geselecteerde matrozen van boord gehaald. Andries Steputsch, die als busschieter had gediend, neemt wenend afscheid en Georg laat daarbij niet na hem ernstig te vermanen om het vele zuipen en hoereren te mijden `als de pest' en niet af te wijken van de wegen en het woord van de Hoogste, opdat hij niet opnieuw door God verlaten zou worden. Sedert hun vertrek uit Koningsbergen in april 1752 zijn ze veertien maanden lang dag in dag uit met elkaar opgetrokken. Al zijn kameraden is Georg nu kwijtgeraakt en dat doet hem onuitsprekelijk veel verdriet.

Ook de ambachtslieden kregen hun plek: de metselaars, de smeden en een koperslager in het Ambachtskwartier, het zuidoostelijk deel van de stad, de twee patroontasmakers op de wapenkamer in het Kasteel, en een slotenmaker en een smid op het eiland Onrust. Twee Duitse soldaten hebben het geluk over te kunnen gaan in de civiele dienst en worden affuitmaker. Ze verdienen dan in één klap in plaats van 9 gulden in de maand 14 gulden. Eén opvarende werd onder geleide van boord gehaald en overgeleverd aan de fiscaal: de schieman Pieter Christiaan Kraak, die wegens sodomie wekenlang in de boeien had gezeten op het campagnedek. Hij moet er door de aanhoudende zon vreselijk hebben uitgezien. Hij kreeg echter geen straf, maar werd op vrije voeten gesteld. Kraak werd nog in september van datzelfde jaar op de Lycochton naar Nederland gezet.

Vanaf De Drie Papegaaien kan Georg evenals aan de Kaap Nederlandse, Portugese, Franse en Engelse schepen zien en hier ook nog eens honderden Chinese jonken en Javaanse prauwen. Daartussendoor wriemelen tientallen vissersbootjes en scheepjes die voedsel, drank en andere koopwaar aanbieden. Een scheepje komt van de wal alle Europese victualiën ophalen en in plaats van brood krijgt men nu alle dagen rijst. Hier leerde ik pas de Here God kennen, schrijft Georg later. Hij neemt niets van de scheepskost en aanvankelijk heeft hij nog wel geld om zijn eigen eten te kopen bij een van de vele bootjes die langskomen, maar het slinkende geld veroordeelt hem ten slotte toch tot de scheepskost. Ik moest me dus gewennen, schrijft hij, als ik tenminste in leven wilde blijven. 's Morgens krijgen de mannen niets anders dan gekookte rijst. En die was zo droog `dat je elke korrel apart kon zien'. Wie geluk had, combineerde dat met wat boter of olie of met een stuk gedroogde vis. 's Middags is er katjang. Georg beschrijft dat als een soort linzen in water gekookt, met een weerzinwekkende stank en opgediend met rijst. Ook 's avonds staat dat op het menu. Op zondag en op donderdag krijgen de schepelingen vers rundvlees uit het Compagnieslachthuis, maar eenieder die ook maar een beetje eetlust heeft, gruwt ervan omdat het er zo smerig uitziet, `als een kreng in een grafkuil'.

Zolang men op de rede ligt, wordt niet het gezouten vlees dat men normaal aan boord eet uitgedeeld, maar krijgt iedere matroos daarvoor in de plaats per maand een rijksdaalder. Van bijspijzen die ze op zee kregen, zoals olie, azijn, suiker en tamarinde, ontvingen ze maar de helft van de portie die ze gewend waren. Wie geld heeft hoeft geen nood te lijden omdat naast elk schip van 's morgens vroeg tot 's avonds laat een scheepje met een marketentster ligt. Hier kan je alles bestellen wat je maar wilt, behalve arak. Maar wie betaalt, kan ook dat gemakkelijk aan boord laten smokkelen. Wie geen geld heeft en gezond wil blijven, merkt Georg bitter op, wordt hier wel gedwongen te stelen.

Twee uitjes naar de stad waren de enige lichtpuntjes voor Georg in de tweeënhalve maand dat De Drie Papegaaien op de rede van Batavia lag. Hij had afscheid moeten nemen van zijn vrienden, het eten vervulde hem met walging, het klimaat was moordend en toen het laden van het schip begon, viel de werkdruk hem uiterst zwaar. Een reeks voorvallen confronteerde hem direct met de dood. Georg had nog steeds botteliersdienst en daarom moest hij tussendeks slapen. Daar stond zijn kist en daar hing zijn hangmat. Op een middag, na het roken van een pijp, had hij, zijn pijp nog in de mond, iets in zijn kist gezocht. 's Avonds om acht uur – het is dan al donker – ging hij slapen onder de barkas op het bovendek. Dat was weliswaar verboden, maar door de hitte en de ontelbare insecten was het tussendeks niet te harden. Hij had een knecht, zijn `jongen', en die liet hij dan bij zijn kist slapen. Toen de klok twaalf uur sloeg, hoorde hij zijn jongen als een onzinnige naar hem roepen. Georg was verstoord omdat hij wakker was gemaakt en had geen zin om te reageren. Maar toen ook de andere matrozen wakker werden en de jongen wezen waar hij lag, vroeg hij wat er aan de hand was. De jongen smeekte hem onmiddellijk mee naar beneden te komen. Daar zou hij hem iets laten zien. Beneden zei de jongen: `Maak in godsnaam uw kist open, want die staat helemaal in brand.' Zijn woorden hadden, aldus Georg, het effect van `een mes in mijn hart'. Hij beveelt de jongen zijn mond te houden en om direct een kanonsluik open te zetten om de rook weg te laten trekken. Dan opent hij zijn kist en ziet dat de hele inhoud is verkoold. Hij grijpt alles wat erin zit, verbrandt daarbij nog zijn handen, en smijt alles in zee. Zijn boeken en kousen – in een zijla van de kist – zijn het enige dat gespaard blijft.

De jongen vertelt dat hij in Georgs hangmat was gaan slapen, maar dat hij het daar veel te warm had gevonden. Hij was toen maar op de kist gaan liggen omdat die misschien koeler zou zijn. Eenmaal in slaap had hij na een halfuur zo'n warme rug gekregen dat hij wakker werd en eens goed gevoeld en gekeken had. Toen merkte hij dat de hele kist gloeiend heet was en dat het deksel zelfs gebarsten was. Door de barst heen had hij het vuur van binnen gezien. Georg bedankt hem duizendmaal voor zijn trouw en zegt hem over het voorval te zwijgen. Het hele schip had kunnen ontploffen, omdat er `300 centner' (ruim 1400 kilo) buskruit aan boord was. Maar ook al was dat niet gebeurd en hadden de officieren er weet van gekregen, dan zou hij zwaar gestraft zijn met geseling en brandmerking of had hij twintig jaar aan de ketting op een strafeiland moeten werken. Die straffen zouden hem, ook al zou hij het allemaal doorstaan, levenslang eerloos maken.

Naderhand zou Georg zo'n ontploffend Compagnieschip van nabij meemaken en met eigen ogen zien hoeveel mensenlevens en gewonden zo'n ramp veroorzaakte. Het is dan ook geen wonder dat hij er zo uitvoerig over schrijft en dat hij de tijdige ontdekking zo nadrukkelijk als een ingrijpen van God bestempelt. Door zijn schuld zouden zijn medeopvarenden en hijzelf `met al zijn zonden' gebleven zijn. De nadruk op dat laatste is kenmerkend. Voor zowel katholieken als lutheranen was de gedachte onverdraaglijk dat ze bij een scheepsramp konden omkomen zonder te hebben gebiecht en dus zonder van hun zonden te zijn bevrijd. De Hoogste had hem dus `wonderbaarlijk' gered en zijn jongen had hem tot schutsengel gediend. Georg ervoer dat de Heer de mensen van al het Kwaad kan verlossen en voor de schande kan bewaren. In zijn levensbeschrijving is Georg vanaf nu meer gepreoccupeerd met de almacht van God dan in een vroegere fase in zijn leven. De dood is hem nabij gekomen en kort na deze brandepisode zou hij dat opnieuw meemaken. Hoe moeilijk het ook is om Georgs gemoed na tweeënhalve eeuw nog te doorgronden, hij lijkt in deze maanden in Batavia een crisis te hebben doorgemaakt die hem nader tot het geloof heeft gebracht.

De Drie Papegaaien werd op het eilandje Onrust voorzien van nieuw staand en lopend want en vervolgens werd begonnen met laden. Het laden gaat dag en nacht door, ook op zondag. En dat bij een verpletterende hitte. Tot overmaat van ramp blijken de zevenhonderd kanasters (gevlochten manden) met suiker verkeerd te zijn gestouwd, zodat de matrozen ze tweemaal moeten inladen. Dat dit alles Georg tot wanhoop drijft, is volkomen begrijpelijk. Die kanasters wogen 375 pond (à 494 gram), dat wil zeggen 185 kilo. Die moesten dus met minimaal drie of vier man versleept en getakeld worden. Een paar keer hebben we in drie nachten niet kunnen slapen en niet eenmaal gegeten, schrijft Georg. En als ze iets toegeschoven kregen, was dat bijna niet te eten. Soms koopt hij op eigen kosten nog wat voedsel, maar wanneer hij dat wil nuttigen, moet hij dat in het geheim doen uit angst dat de andere matrozen het hem zullen afpakken. Hij verliest werkelijk elke lust tot leven en meer dan eens wenst hij dood te zijn. Iemand die in `de kar der verdoemden' zit, heeft het veel beter dan wij, merkt hij op. Ik begon geweldig te treuren en hierna ben ik eigenlijk ook nooit meer echt vrolijk geweest. En hoewel hij voornemens was geweest een paar jaar in Indië te blijven en van de ene plaats naar de andere te varen, zo verging hem het verlangen daarnaar nu geheel. En dat, zo vervolgt hij, was nog maar een voorproefje van andere Fata waartoe het noodlot mij bestemd had. Deze klacht is terecht. Het werk in het ruim in de onmenselijke hitte, waar de sterke geur van de specerijen hing, kon dodelijk zijn. Zuurstofgebrek in het ruim doet de lampjes uitgaan, ontneemt de sjouwers de adem en soms stikten er mannen.

Op een gegeven moment houdt Georg het werk niet meer vol; hij voelt zich zo moe en ziek dat hij zich bij de dokter meldt. Die voelt hem de pols en raadt hem aan het bed te houden. Hij is blij met dit advies en zoekt een plaats waar hij ongestoord kan slapen: de konstabelskamer. Daar gaat hij op een kist liggen en slaapt vierentwintig uur achtereen. Wanneer hij wakker wordt, denkt hij dat hij maar wat gedut heeft en voelt hij zich al stukken beter, alsof hij een nieuw leven had gekregen. Hij besluit zich voorlopig ziek te houden en blijft veertien dagen in de konstabelskamer, waarna hij versterkt weer voor de dag komt.

Twee dingen vallen op bij dit verhaal. Ten eerste dat hij zijn genezing niet, zoals zoveel Oost-Indiëvaarders die hun herinneringen hebben opgeschreven, aan God dankt, na langdurig gebed, maar aan zijn eigen ingrijpen. En ten tweede dat hij, een gewone matroos, kennelijk aan de scheepsdiscipline kan ontsnappen. Alles wijst erop dat Georg zich sociaal en intellectueel gezien van de matrozen heeft gedistantieerd en contact heeft gezocht en waarschijnlijk protectie heeft verkregen van een of meer officieren.

Wat heeft Georg Naporra daar op de rede van Batavia, 24.000 kilometer van huis gedacht? Welke scenario's hebben hem, starend over het water, voor ogen gestaan?

Georg was tegen deze tijd tot het inzicht gekomen dat het dienstverband bij de VOC een volkomen verkeerde, onbesuisd genomen beslissing was geweest. Twee mogelijkheden die wanhopige VOC-dienaren voor ogen stonden, heeft hij niet overwogen: zelfmoord en desertie. Er zijn enkele gevallen bekend van matrozen en soldaten die de hand aan zichzelf hebben geslagen. Desertie kwam veel vaker voor. Men liep weg en ging op in de lokale bevolking, of nam dienst bij een andere Europese compagnie, waar het leven overigens niet per se beter was. De deserteur raakte van de regen in de drup, met als extra bedreiging dat, wanneer hij in handen van de VOC zou vallen, hij zwaar gestraft zou worden. Een jaar tevoren, in 1752, was vastgesteld dat er nogal wat deserteurs in de bovenlanden (ten zuiden van Batavia) waren gaan leven van roof. Wanneer dergelijke deserteurs waren gepakt, werden ze veroordeeld tot verbeurdverklaring van gage en goederen en tot zware lijfstraffen en konden ze zonder vorm van proces tot dwangarbeid worden veroordeeld op de eilandjes Edam of Onrust.

Een andere mogelijkheid om aan het kwellend VOC-dienstverband te ontkomen was om te proberen vervroegd naar Europa terug te keren. De Compagnie kwam ervaren matrozen te kort voor de retourvloten, maar Georgs termijn was nog lang niet afgelopen en hooguit met een dosis steekpenningen had hij op een lijst kunnen komen van te repatriëren matrozen. Maar het geld daarvoor ontbrak hem. Hij moet ook de mogelijkheid hebben overwogen om zijn leven draaglijker te maken door promotie te maken. Hij was een gezonde, stevig gebouwde man die hard kon aanpakken. Hij zou om te beginnen van matroos busschieter kunnen worden. Drie matrozen van zijn schip hadden die promotie in augustus gemaakt en gingen in plaats van 9 nu 10 of 11 gulden verdienen. Georg had ook kunnen proberen om in de civiele dienst over te gaan en klerk te worden en dan misschien op te klimmen tot boekhouder, assistent en hoger. Hij bezat daartoe de intellectuele vermogens en de vaardigheden en ook had hij goede contacten met officieren. Ook dan zou hij langer hebben moeten dienen. Niets wijst er echter op dat hij hier moeite voor heeft gedaan. Dit kan alleen maar betekenen dat hij het matrozenbestaan en de lage gage voor lief nam om zo kort mogelijk in Azië te hoeven blijven en zijn vijf jaar uit te dienen. Alle hogere rangen zouden hem verplichten langer te blijven.

Dit is een ingekort fragment uit `Naporra's omweg. Het leven van een VOC-matroos (1731-1793)', dat verschijnt op 22 augustus bij uitgeverij Atlas, 525 blz. Prijs €34,90.