Wie zijn de ouwe wijven?

Woensdag wordt het concert van The Rolling Stones in de Amsterdam Arena rechtstreeks uitgezonden door RTL4. De recensies van hun eerdere optredens deze week waren gemengd. Er klonk bewondering in door voor de vitaliteit van de rockers en ontzag voor de onvergankelijke kwaliteit van de songs uit hun glorietijd rond 1970, maar ook afwijzing van wat volgens de meeste recensenten een plichtmatige, gelikte en matte show was. Die kritiek kan terecht zijn, eerst maar eens zien en horen, woensdag.

Los van die recensies – en in zekere zin zelfs ook los van hun huidige tournee – staan de algemene oordelen waar de kranten van uitpuilden over niets meer of minder dan het (voort)bestaansrecht van de rockgroep. Hun aanwezigheid in Nederland veroorzaakte een lawine van artikelen vol verwonderlijke vijandigheid en nijd. Commentatoren probeerden elkaar te overtroeven in aan verachting grenzende neerbuigendheid en nuffig dédain. Alsof er een prijs was uitgeloofd voor wie de meest geringschattende kwalificatie kon verzinnen: `bewegend museum', `rimpelrockers', `rolstoelrock', `seniorentennis', `nostalgie', `parodie', `circusact', `rituele recycling', `geldwolven', `relatie-evenement'. Een officieel hoofdartikel in deze krant hikte, in licht en vrijheid, het maagzuur van de verontwaardiging op. Waar haalt een groep uitgerangeerde muzikanten de hoogmoed vandaan door te gaan met het maken van muziek, dit ,,geconserveerd tableau vivant, maar dan van kermiskwaliteit''. NRC Handelsblad verklaarde The Rolling Stones dus ex cathedra tot een anachronistische smet op de cultuur, die behoort te worden weggepoetst van het aangezicht van deze tijd.

Slechts met een uiterste krachtsinspanning slaagde de krant erin diep op de bodem van haar liberale traditie nog een kruimel tolerantie te vinden: ,,Ach, the Stones, ze zijn welkom. Maar jammer dat ze nog bestaan.'' Ik kan mij niet herinneren dat deze krant ooit eerder het `nog bestaan' van welke artistieke uiting, voorstelling, groep, kunstenaar, ensemble of orkest dan ook heeft betreurd. Elders viel het woord podiumverbod. Het Algemeen Dagblad organiseerde een enquête over de vraag: ,,moeten de bejaarde rockers niet hoognodig met pensioen?'' en de Volkskrant streek met de hand over het hart, vooruit dan maar: ,,Zolang bejaarden van Stones-muziek kunnen genieten, mogen bejaarden die uitvoeren.''

Wat is hier aan de hand? Ik heb, als gezegd, geen oordeel over de kwaliteit van de huidige reeks concerten, maar de vooringenomen vijandigheid waarvan ik hierboven een paar voorbeelden gaf, moet veel en veel dieper gaan dan teleurstelling over commerciële exploitatie van vroegere successen of mogelijke oppervlakkigheid en gebrek aan vernieuwing. Hoe lang is het geleden dat een muziekgroep zoveel publieke minachting, om niet te spreken van ouwewijverig geborneerd provincialisme, heeft opgeroepen? Bijna veertig jaar. Het was op 8 augustus 1964, bij gelegenheid van het eerste optreden van The Rolling Stones in Nederland, toen de politie het concert na een kwartier afbrak wegens onordelijkheden en de Nederlandse pers eensgezind en op hoge toon schande sprak van de groep die het publiek had `opgezweept'. ,,De Rolling Stones, slordig gehuld in wat vermoedelijk juist op het kapstokje hing, deden niets anders dan op de gitaar boksen, in een mondharmonica blazen en hun lelijke zelf wezen. Maar het was voldoende om de nozems en hun aanhang (...) tot een beangstigende vernielzucht te brengen.'' (Het Parool 10 augustus 1964).

De cirkel is rond. De gebelgde commentatoren van toen waren stokoude veertigers, ongeveer zo oud als nu Sjoerd de Jong, die deze week de `Honky Tonk Hufters' (zowel de Stones als de babyboomers, dus de nozems van toen `en hun aanhang') bestraffend toesprak over hun ,,bejaarde hedonisme''. Nu krijgen de Stones het verwijt dat zij muziek maken voor patsers in skyboxen die meejoelen met een glas champagne in de hand. Merkwaardig, dat er niemand over valt wanneer het Concertgebouworkest bij wijze van spreken Bachs Matthäus Passion speelt voor een zaal vol sponsors uit het bedrijfsleven met gratis entreebewijzen en champagne in de pauze.

Er zit zoals gewoonlijk een ironisch herhalingselement in deze geschiedenis, een onvermijdelijke pendulebeweging. Toch lijkt me dit geen bevredigende verklaring voor de woede die de Stones weten te genereren, toen en nu: Jullie horen hier niet! Dit is ónze tijd! Weg, langharige verdervers van de jeugd! (Toen). Weg, geesten uit het verleden! (Nu), Jullie zijn vies en lelijk! (Toen). Jullie zijn oud en afgeleefd! (Nu). Jullie mogen niet jong zijn! (Toen) Jullie mogen niet oud zijn! Jullie hadden allang dood moeten zijn, net als Brian, Janis, Jimi en Jim! (Nu). Jammer, dat jullie bestaan! (Toen) Jammer, dat jullie nog bestaan! (Nu).

Ik sta perplex van het verschijnsel. Het zou misschien langs twee uiteenlopende lijnen enigszins verklaard kunnen worden. De eerste verklaring zou dan betrekking moeten hebben op The Rolling Stones als exponent van de `sixties' of van een generatie die niet alleen een revolutie in de cultuur teweeg heeft gebracht, maar die ook een onuitputtelijke bron blijkt te zijn van jaloezie op en rancune over al het spannends en moois wat zich toen in het artistieke en culturele leven begon te voltrekken. Het zelfbedrog, de zelfvergroting, het modieuze denken, alles wat iedere generatie kenmerkt en niet van blijvend belang is, wordt achteraf als het ware op de meest creatieve en vernieuwende geesten geprojecteerd. Zij moeten boeten voor een collectieve `schuld'. Het is alsof men Goethe of Beethoven laat `boeten' voor de romantiek – zo moeten de Stones nu boeten voor de thema's en aspiraties van de jaren zestig. Allemaal kinnesinne.

Een tweede verklaring voor de kleinzielige geringschatting die de Stones ten deel valt, is op het oog met de eerste in strijd. Dit betreft juist de weigering te erkennen dat hun beste werk uitstijgt boven de mode van de sixties en, hoe mode of cultuur ook veranderen, voorgoed samenvalt met wat in alle grote kunst van blijvend belang is: het onbenoembare dat zich niet laat vastpinnen op zoiets als de uitvinding van de jeugdcultuur of op een specifiek tijdperk van innovatie, maar iets wat deel uitmaakt van wat de mensheid zich herinnert. Alle grote kunst is in zekere zin al klassiek op het moment van zijn creatie. Misschien wekt die veronderstelling, toegepast op The Rolling Stones, nog wel de meeste irritatie en wordt daarom zo krampachtig geprobeerd hen vast te nagelen in de vergane glorie van de jaren zestig als Jezus aan het kruis.