Tsjechië's laatste legionair is dood

Op 107-jarige leeftijd is deze week in Praag Alois Vocásek gestorven, held in de Eerste en verrader in de Tweede Wereldoorlog, en voor alles: het laatste nog levende lid van het legendarische Tsjechische Legioen.

Tot 1918 maakten Bohemen en Moravië deel uit van Oostenrijk en dus de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie. Als consequentie vochten de Tsjechen in de Eerste Wereldoorlog in het Oostenrijkse leger. Aan het Russische front liepen echter, als gevolg van het opkomend Tsjechische nationalisme, vanaf het begin slavische Tsjechen over naar eveneens slavische Russen. Die vormden uit die overlopers het Tsjechische Legioen, dat aan Russische kant tegen de Oostenrijkers (en hun Tsjechische landgenoten) vocht.

Een hoogtepunt van het Tsjechische Legioen was op 2 juli 1917 de slag bij het Galicische dorp Zborów. Toen liepen twee complete Tsjechische infanterieregimenten, drieduizend man in totaal, over naar de Russen. Het Oostenrijkse front stortte – tijdelijk – in. De zege in die slag vestigde de roem van het Tsjechische Legioen en, vooral in de Verenigde Staten, de reputatie van Tomáš Masaryk, de overmoeibare ijveraar van het Tsjechische nationalisme en pleitbezorger van een Tsjecho-Slowaakse staat. De 2de juli werd later in Tsjechoslowakije gevierd als de Dag van het Leger.

Na de Oktober-Revolutie en de Russisch-Duitse vrede van Brest-Litowsk was de oorlog aan het oostelijke front voorbij. Het Tsjechische Legioen kon niet naar Bohemen en Moravië terug – dat bevond zich nog in handen van de Oostenrijkers. Het raakte bovendien in een isolement, want met Lenin en zijn bolsjewieken wilde het niets te maken hebben.

Masaryk ging naar Moskou en besprak de overbrenging van het Legioen naar Frankrijk. Omdat de weg naar het Westen door de oorlog was afgesloten begon het inmiddels tot 70.000 à 100.000 soldaten aangegroeide Legioen aan een lange, moeizame, epische tocht naar het Oosten, langs de Transsiberische Spoorweg, onderweg voortdurend – al dan niet samen met de Witten – strijd leverend tegen de bolsjewieken.

Toen de oorlog in 1918 in Europa eindigde, en toen de bolsjewieken de Witten in 1919 versloegen, bevond het Legioen zich nog in het oosten van Siberië. Pas in april 1920 kon het uit Vladivostok worden geëvacueerd. Toen was de nieuwe staat Tsjechoslowakije al bijna twee jaar oud.

Alois Vocásek was toen, in 1920, 24 jaar en een held – president Masaryk ontving hem op de Praagse Burcht. Dat veranderde eind jaren dertig toen hij zich aansloot bij de fascistische organisatie Vlajka (Vlag). In de Tweede Wereldoorlog collaboreerde hij met de Duitse bezetters. Na de oorlog werd hij tot levenslang veroordeeld: de held was een verrader gebleken.

Vocásek kwam na acht jaar vrij, waarna hij bijna een halve eeuw heeft geprobeerd zijn naam te zuiveren. Nog enkele dagen voor zijn dood droeg hij zijn advocaat op zijn zaak aanhangig te maken bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg.