Met het oog op Aristoteles

Zinloos geweld is niet verbazingwekkend in een samenleving die de maximale behoeftebevrediging tot credo heeft verheven, vindt de filosoof Ad Verbrugge. Zesde aflevering in de serie over docenten van het jaar.

De ethisch filosoof Ad Verbrugge is een geboren explicateur. Stel hem een vraag van wijsgerige of alledaagse aard en er volgt een genuanceerd betoog waarin op een gepast moment Aristoteles, Hegel, Kierkegaard of Heidegger om de hoek komt kijken. Het kost moeite niet in de ban te raken van zijn eloquente voordracht, die nog aan kracht wint door een welluidende stem en een dos wapperende leeuwenmanen. Zijn goed doortimmerde uiteenzettingen voldoen in hoge mate aan het Aristotelische begrip phronèsis, bedachtzaamheid, waarover een mens moet beschikken wil hij slagen in zijn streven naar het hoogste doel: het geluk.

``De docent moet inspireren, door de inhoud en door de wijze van presenteren', verklaart Verbrugge tijdens een gesprek in zijn Leidse woning. Het is zijn opdracht ``om bij zijn studenten het vermogen te ontwikkelen zelfstandig filosofische teksten te lezen en hun eigen vragen weldoordacht te stellen. Studenten moeten in beweging worden gebracht, leren ervaren in welke zin het leven hun ook filosofisch aangaat. Dat zij dan soms worden meegesleept, is begrijpelijk. De docent beschikt immers over kennis die de student ambieert, het is, als het goed is, vergelijkbaar met een jongen die zich de dingen van zijn vader wil eigen maken. Dat geldt in het bijzonder voor filosofie, waarvan de beoefening een hartstochtelijk vragende levenshouding vereist.'

De 36-jarige Verbrugge geeft al zo'n tien jaar ouderwetse hoorcolleges in een zaal waar geen computer te bekennen is. Hij prefereert een persoonlijke overdracht met bord en krijtje. ``Ik hoor wel eens verluiden dat het rendement van hoorcolleges laag is en dat er modernere en betere lesmethodes zijn. Daar ben ik het in zijn algemeenheid niet mee eens. Voor het begrip van de stof die ik behandel is goede en inspirerende uitleg van groot belang. Ik beschouw mijn colleges dan ook als een belangrijk onderdeel van het leerproces waar ik ook zelf van wil leren en ik vind dat de aard van de stof en van de docent primair de onderwijsvorm moet bepalen.'

Laconiek stelt hij vast dat het niveau van de studenten er de laatste jaren niet op vooruit is gegaan. ``De basisvaardigheden van de gemiddelde student zijn merkbaar afgenomen.' Wat hem nogal eens stoort is het gebrek aan gêne voor het gebrek aan kennis. Een niet al te moeilijke Duitse tekst is vaak te veel gevraagd. Kennis van Grieks en Latijn zijn voor de filosofiestudie niet vereist. Voor de niet-gymnasiasten heeft Verbrugge een lijst van Griekse woorden en begrippen samengesteld, die als basis dient bij zijn behandeling van Aristoteles' Ethica Nicomachea.

Maar hij heeft ook goed nieuws. Mede als gevolg van de secularisatie en de crisis in de ideologische sfeer is de interesse voor de filosofie gegroeid. De bezinning op het leven en de plaats van de mens in de kosmos is de laatste jaren toegenomen. ``Het vak heeft aan respectabiliteit gewonnen, zo lijkt het. Filosofie doet het goed in tijden van sociaal-culturele verscheuring. Dat was al zo bij de voor-Socratici in de Griekse oudheid, toen de machtsverhoudingen veranderden en de burgerij opkwam waardoor tegenkrachten werden opgeroepen. Hetzelfde gaat op voor deze tijd. Een voorbeeld: Pim Fortuyn, die schudde aan het discriminatieverbod van artikel 1 van de Grondwet, het fundament van de Nederlandse rechtsstaat. Zoiets leidt tot herwaardering van principes, het dwingt ertoe standpunten opnieuw te formuleren.'

Verbrugge studeerde in Leiden en Leuven, doceerde van 1994 af ethiek aan de Leidse universiteit – waar hij in 2001 werd gekozen tot docent van het jaar – en is sinds vorig jaar universitair hoofddocent sociaal-culturele wijsbegeerte aan de Vrije Universiteit. Daar ligt over een jaar of twee, als zijn denken de vereiste rijpheid heeft bereikt èn hij een boek over Aristoteles heeft voltooid, een professoraat voor hem klaar. Tussendoor werkte hij tevens bij de politie: hij bracht rechercheurs de fijne kneepjes bij in de strategische opbouw van hun verhoor van getuigen en verdachten.

In 1999 rondde hij zijn proefschrift af, `De verwaarlozing van het zijnde', waarin hij Sein und Zeit, het centrale werk van Martin Heidegger, grondig doorlichtte, in het bijzonder het begrip Dasein, waarmee zowel de concrete, enkele mens als het wezen van de mens wordt aangeduid. Verbrugge is schatplichtig aan de moeilijk te doorgronden Duitse filosoof, maar, zegt hij, ``bij zijn analyse van het Dasein doet Heidegger het wezen van de mens uiteindelijk onrecht. Hij is te abstract. De persoonlijke levensgeschiedenis speelt bij hem geen rol, hij komt niet toe aan de concrete individualiteit van een mens.' In het spoor van Aristoteles legt Verbrugge in zijn proefschrift juist de nadruk op de feitelijkheid van het individuele leven en zijn vervlechting met concrete mensen en dingen. ``Ieder mens heeft een bepaald ethos (levenswijze, geaardheid, gewoonte), die in en door zijn levensgang wordt bepaald en waarmee hij op de wereld is ingesteld. Het besef van die innerlijke, bezielde verbondenheid tussen levenswijze en levensgang was het vertrekpunt van mijn Heidegger-boek.'

Vroeg Verbrugge in zijn proefschrift om meer aandacht voor de menselijke individualiteit, daarna wees hij twee jaar geleden in een lang essay op het gevaar van een doorgeschoten vorm ervan. In dat essay stelde hij dat zinloos geweld een min of meer normaal verschijnsel is in een samenleving waarin individuele ontplooiing zo ongeveer tot een grondrecht is uitgeroepen en waarin een ieder, opgejut door de vrije-markteconomie, streeft naar de maximale bevrediging van zijn behoeften. De calculerende consument wil het en hij wil het nú, een mentaliteit die stamt uit de bevrijdende jaren zestig.

Zeker van die tijd af, stelt Verbrugge, heeft zich in het Westen en zeker ook in Nederland een romantisch-sentimenteel mensbeeld gevestigd. Het gaat ervan uit dat het ware geluk van de mens ligt in de volle ontplooiing van zijn individuele, natuurlijke aanleg en dat elke dwang van boven uit den boze is. ``Een naïeve opvatting omdat daarin bijvoorbeeld niet wordt erkend dat ook het kwaad tot die aanleg behoort. Wanneer de persoonlijke vrijheid absoluut wordt gesteld, gaat de mens zich gedragen alsof de wereld er alleen voor hem is. De onmiddellijke beleving van het gevoel wordt de hoogste maatstaf, waarin de reclame een kwalijke rol speelt door onophoudelijk die behoeften te creëren en te exploiteren. De wereld is er om `door jou' geconsumeerd te worden.'

De roes van die solipsistische beleving uit zich, zegt Verbrugge, in sensationele kicks, trips, drankmisbruik en verslaving, maar kan zich in zijn destructieve gedaante ook uiten in geweld, bij uitstek zinloos geweld. ``Op den duur ontstaat een toestand waarin de gemeenschapszin geheel is gedesintegreerd en de mens zich niet meer wezenlijk gebonden voelt. Hij is ontworteld, a-sociaal en de medemens doet er niet toe of is er slechts om te worden gebruikt. Hij gaat behoren tot wat Hegel het `gepeupel' noemt, zedeloos, zonder remmingen. Dat gepeupel heeft geen voeling meer met de cultuur, ofwel een beschaving die zorg draagt voor de zedelijke ontwikkeling van haar burgers.' Als iemand in een milieu opgroeit waar `gemeenschap' geen enkele betekenis heeft en waarin alleen de regels van de eigen kring gelden, is de stap naar gewelddadige criminaliteit snel gezet. ``Zinloos geweld is nu juist het geweld dat opkomt wanneer de schijnvrijheid van de individuele beleving als hoogste goed wordt beschouwd. Geweld dat in zijn zinloosheid de zinloosheid van de moderne samenleving zelf aanduidt.'

Een fundamentele herbezinning op onze levenswijze is nodig, zegt Verbrugge. ``De wijsheid van onze traditie moet serieus worden genomen. Aristoteles schreef al dat de hoogste zelfontplooiing slechts kan worden bereikt door een goede opvoeding en gewenning tot de deugd.'

Ad Verbrugge: De verwaarlozing van het zijnde; een ethologische kritiek op Heideggers Sein und Zeit. SUN 2001, 588 pagg. 34,50 euro. ISBN 9058750310.

Ad Verbrugge: Zinloos geweld. In de bundel Rechtvaardigheid en Verzoening. Damon, 2000.