Leven met groei en krimp

Onze economie krimpt voor het derde kwartaal achtereen. We verkeren volgens de geldende definitie in een recessie. Dat lijkt schokkend, omdat mede daardoor de overheid minder uit wil geven, om zo haar tekort te beperken. Maar zo'n inzinking is niet meer dan een economisch natuurverschijnsel, passend in een cyclus, een golfbeweging. Een oud spreekwoord luidt: `De rijkdom kan niet lange staan en groeit en krimpt gelijk de maan.' Het komt dus wel weer goed, een keer.

Intussen voelen lezers zich onrustig door het uitblijven van de groei, want dat zijn ze niet gewend. Zelfs werknemers met een royaal vast dienstverband beginnen de kou te voelen. Hun pensioenregeling krimpt mogelijk naar middelloon, er vloeien nog steeds mensen af, de WW-vervolguitkering van minimaal twee jaar verdwijnt voor nieuwe gevallen, het kabinet zint op nieuwe beperkingen en je krijgt niet eens meer automatisch een lease-auto en een mobiele telefoon bij je nieuwe baan. Veel bedrijven grijpen deze krimp mede aan om grote schoonmaak te houden en zo hun winstcijfers op te poetsen.

Wat moet je doen qua financiële planning? We moeten ons een beetje voorbereiden op een krimp waarvan de gevolgen nog lang merkbaar zullen zijn. Dat zal moeite kosten na de uitbundige jaren negentig. Wanneer de economie jaren achtereen niet groeit – maar dat weten we pas achteraf – dan moet je daar rekening mee houden door een (extra) reserve te vormen en dat kapitaal niet vastzetten in een of andere constructie, anders kan je er niet meer aankomen. Een paar voorbeelden.

Neem de spaarhypotheek met een gegarandeerd eindkapitaal of de beleggingshypotheek met de onzekere afloop. Beide constructies zijn leningen met daarnaast een verzekering om de aflossing van de schuld in op te bouwen. Er zijn mensen die erven of ineens over wat geld beschikken en daar iets nuttigs mee willen doen. Dan denken ze wel eens aan een extra storting op de aflospolis van hun hypotheek. Met name wanneer de rente van het spaardeel hoger ligt dan de huidige rente, of omdat de aandelen (in de verzekering) wellicht laag staan en een extra investering op termijn voordelig uit kan pakken.

Maar via die weg vorm je geen reserve waarover je direct kan beschikken. Geld dat je in je levensverzekering stort, ben je immers kwijt, in ruil voor een vordering op je verzekeraar. Een verzekering is geen beleggingsfonds waar je op ieder gewenst moment in en uit kan stappen. Kijk maar. Stort je 5.000 euro voor je polis en overlijd je de volgende dag, dan ontvangen je nabestaanden de eerder overeengekomen overlijdensuitkering en geen cent meer, want die 5.000 euro doen er niet toe. Houd je die 5.000 euro zelf en ga je snel de pijp uit, dan ontvangt je familie dezelfde overlijdensuitkering en bovendien 5.000 euro via de nalatenschap. Zo houd je je kruit droog voor zware tijden.

Een ander constructie waarin je geld muurvast zit is een verhuurd huis of huizen. Ook een populaire belegging. Uit reacties van lezers blijkt dat verhuurders hier soms tientallen jaren aan vastzitten. Of het onroerend goed is gezamenlijk bezit van enkele ruziënde familieleden. Of je hebt te maken met uiterst lastige huurders. Kom je zelf in financiële nood en wil je zo'n bezit snel verzilveren, dan stuit je op de wettelijke bescherming die huurders genieten, waardoor de verkoop stagneert. Een verhuurd huis is geen flexibele reserve. Mensen hebben daar vaak overspannen verwachtingen van, in hun argeloosheid.

Je moet dus proberen de beschikkingsmacht over je geld te behouden. Baas in eigen knip. Maar dat is niet de enige voorwarde om overeind te blijven tijdens een krimp. Je moet er ook naar streven je vaste lasten te beperken, want die lopen gewoon in geval van nood. Een actueel voorbeeld.

Huizenbezitters met een (maximale) aflossingsvrije hypotheek, waarvan de maandlasten berekend zijn op het 52- of 42-procentstarief van de inkomstenbelasting, komen zichzelf tegen wanneer ze worden ontslagen en in de WW geraken. De duur van de aan hun loon gerelateerde uitkering (met een maximum) hangt af van hun arbeidsverleden en is hooguit vijf jaar, althans wanneer je na je achttiende tenminste veertig jaar hebt gewerkt. Het gros van de werklozen zal uitkomen op gemiddeld twee jaar aan uitkeringen en daarna gaat de geldkraan dicht, heeft het kabinet besloten. De voor de hand liggende Bijstandswet biedt geen soelaas aan mensen met een eigen huis en een kapitaal. Het is immers een noodvoorziening op het bestaansminimum en geen verzekering.

Door het verbroken dienstverband is het arbeidsinkomen van de WW'er in box 1 sterk gedaald, maar moet de hypotheekrente wel worden doorbetaald. Die is nog wel aftrekbaar, eveneens in box 1. Zo goed als zeker niet meer in het 52-procentstarief, maar misschien in het 38,4 procent, dat loopt tot circa 29.000 euro aan belastbaar inkomen. Door die daling van 52 naar 38,4 procent betaal je zelf bijna 30 procent meer aan rente; 13,6 op de 48. Het kan dus geen kwaad om extra af te lossen op je hypotheek, maar dat is in Nederland vloeken in de hypothekenkerk.

De moraal: het is (altijd) verstandig om je vaste lasten te beperken en vrij te kunnen beschikken over je geld. En dan nog dit: een gezonde arme is nog een rijk man.

Adriaan Hiele beantwoordt de hele zomer door vragen over uw persoonlijke geldzaken op www.nrc.nl/hiele.

    • Adriaan Hiele