Iran laat nucleaire ambities niet varen

Zolang Iran zich in de eigen regio onveilig voelt, zal het land kernwapens willen hebben, meent

Niemand heeft een goed antwoord op de vraag: wat moeten we doen met Iran? Sinds de islamitische revolutie van 1979 is Iran in twee opzichten een probleem. Ten eerste is het theocratische regime in Teheran doortrokken van radicaal anti-westerse sentimenten, met alle gevolgen van dien voor de regionale veiligheid. Ten tweede is het Westen verdeeld over de vraag welke strategie het beste zou werken: de Amerikaanse keuze voor confrontatie en isolement, of de Europese voorkeur voor een `kritische dialoog' met de hervormers.

Vooralsnog kan geen van beide partijen serieus beweren dat de eigen strategie veel effect heeft gehad. Noch het karakter van het zittende regime, noch het internationale gedrag van Iran (steun voor extremistische groepen, pogingen om massavernietigingswapens te verkrijgen) lijken erg beïnvloedbaar door wat de buitenwereld op hoge toon eist (VS) dan wel op indringende manier verlangt (Europa).

De Bush-doctrine van de preventieve aanval en de oorlog in Irak hebben de relatie tussen Iran en het Westen op scherp gezet. Sinds 11 september is de tolerantie aan Amerikaanse zijde voor de vermeende dreiging van de samenkomst van technologie en fanatisme, van massavernietigingswapens en terrorisme, afgenomen. Washington is bereid en in staat, om hier, desnoods alleen, militair tegen op te treden. De tegenwerping dat Irak helemaal niet zo'n bedreiging was als men deed voorkomen, is op zich terecht. Maar de huidige groep beleidsmakers zal zich daar wat Iran betreft niet veel van aantrekken.

Vanuit Iraans perspectief is de belangrijkste les van de oorlog tegen Irak even duidelijk: een versnelling van de nucleaire ambities. Iran wijst er allang op dat het in een zeer gevaarlijke regio leeft. Denk aan de aanval van Irak in de jaren tachtig, onder andere met chemische wapens. Denk ook aan Israël dat een uitgebreid nucleair arsenaal heeft – en geen enkele internationale inspectie toestaat. Voeg daar de Amerikaanse troepen in de buurlanden Irak en Afghanistan aan toe. Kijk vervolgens hoe het nucleaire Noord-Korea volstrekt anders behandeld wordt dan het niet-nucleaire Irak en de conclusie lijkt helder: Iran heeft kernwapens nodig.

Terwijl op binnenlands gebied grote verschillen bestaan tussen conservatieven, hervormers en studenten zijn deze drie groepen het er grosso modo over eens dat Iran niet alleen recht op, maar ook behoefte aan kernwapens heeft. Sinds president Bush recentelijk herhaalde dat Amerika een nucleair Iran niet zal aanvaarden, liggen beide landen op ramkoers.

Wat te doen? Iran ontkent officieel dat het kernwapens wil hebben en stelt dat de nuclaire activiteiten een puur civiel karakter hebben. Zowel in de regio als daarbuiten zijn er maar weinig mensen die dit geloven. Het Internationaal Agentschap voor Atoom Energie (IAEA) heeft bovendien duidelijk gemaakt dat tal van Iraanse activiteiten niet sporen met zijn verdragsverplichtingen. Begin juni heeft het agentschap Iran opgeroepen het zogeheten `additionele protocol' te tekenen en uit te voeren. Concreet zou dit betekenen dat Iran `uitdagingsinspecties' zou aanvaarden. Ook de Europese Unie heeft haar beleid inzake Iran aangescherpt en dringt nu, net als de VS, Japan en Rusland, aan op de onverwijlde en onvoorwaardelijke aanvaarding door Iran van het additionele protocol.

Het goede nieuws is dat Iran waarschijnlijk deze strengere inspecties zal aanvaarden. De EU heeft gedreigd met het stopzetten van de onderhandelingen over een handels- en samenwerkingsverdrag tenzij Teheran meewerkt met het IAEA. Het lijkt erop dat dit dreigement effect heeft gehad. Maar het slechte nieuws is dat de kwestie van het additionele protocol een soort totem is geworden. Iraanse medewerking met het IAEA is uiteraard zeer welkom. Hiermee zal het Westen enige tijd winnen en kunnen de binnenlandse ontwikkelingen zich uitkristalliseren, hopelijk ten gunste van de hervormers. Dat is winst, maar onvoldoende. Zonder een fundamentele wijziging in het Iraanse veiligheidsdenken zal deze, op zich verstandige, strategie waarschijnlijk tot uitstel maar niet tot afstel van een nucleair Iran leiden.

Een volgende optie is om, indien Teheran inderdaad blijft weigeren de nucleaire programma's stop te zetten, dergelijke installaties door precisiebombardementen uit te schakelen – net als Israël dat in 1981 met de Iraakse kernreactor in Osirak heeft gedaan. Echter, nog los van zwaarwegende bezwaren omtrent de legitimiteit en de te verwachten internationale weerstand, zijn er ook grote praktische nadelen. Men moet er zeker van zijn dat alle relevante installaties in één keer worden uitgeschakeld. En de Iraniërs hebben, naar verluidt, goede voorzorgsmaatregelen getroffen (ondergrondse installaties, verspreiding door het land, enz.). Ook zal de reactie van Iran op dergelijke aanvallen er niet om liegen: meer inmenging en instabiliteit in zuid-Irak, meer steun voor Hezbollah en een nog heiligere overtuiging dat het land koste wat het kost kernwapens moet hebben. Kortom, een hoge prijs voor op zijn best een paar jaar uitstel.

Wat te denken van `regime change'? Vooral in neoconservatieve denktanks leeft de gedachte dat Iran `rijp' is voor een revolutie; dat de buitenwereld met geheime en minder geheime acties dit proces kan versnellen; en dat een `nieuw Iran' kernwapens zou afzweren. Al deze drie aannames zijn betwistbaar. Er bestaat zeker groeiende onrust en ontevredenheid in Iran. Een verandering in het extreem repressieve karakter van het regime is zowel wenselijk als, op de langere termijn, waarschijnlijk.

Maar Europese diplomaten en Iraanse hervormers zelf zeggen dat de mullahs, helaas, stevig in het zadel zitten. Druk van buitenaf, zeker in clandestiene vorm, kan contraproductief zijn. En welke regering er op welke termijn ook komt, onder de huidige regionale omstandigheden zal dat bewind kernwapens willen hebben.

Een analyse van de motieven van recente toetreders tot de nucleaire club zoals India en Pakistan als ook van landen die onlangs van kernwapens hebben afgezien zoals Oekraïne en Kazachstan – geeft aan dat regionale overwegingen doorslaggevend zijn. Het Westen moet daarom duidelijk maken dat het de veiligheidszorgen van Iran serieus neemt, maar dat kernwapens niet de oplossing zijn. De val van Saddam Hussein biedt nieuwe perspectieven voor het beginnen van een regionale veiligheidsdialoog gericht op samenwerking en het verminderen van regionale spanningen. Ook valt te denken aan afspraken waarbij Iran afziet van kernwapens in ruil voor Amerikaanse garanties dat het de islamitische republiek niet zal aanvallen noch omverwerpen.

Uiteindelijk zal de aard en kwaliteit van de relatie tussen Iran en de buitenwereld belangrijker zijn dan het soort en aantal (kern)wapens. Op dit moment zijn (neo)conservatieven aan beide zijden druk bezig elkaars ergste vooroordelen te bevestigen. Het zou beter zijn als het Westen zich niet alleen zou richten op de aanbod- maar ook op de vraagzijde van Irans nucleaire ambities. Net als bij drugs geldt bij kernwapens: de vraag schept het aanbod.

Dr. Steven Everts is senior research fellow bij het Centre for European Reform.