`Hans, je laat me toch niet zakken?'

Met vijftig messteken vermoordde tbs'er Dirk de V. in 1999 de 27-jarige Tjirk van Wijk uit Groningen. Zomaar. Niet lang daarvoor was de extreem gewelddadige De V. vrijgelaten, omdat geen tbs-kliniek hem nog wilde behandelen. De enige persoon in de tbs-wereld die het op zich wilde nemen om Dirk de V. na zijn vrijlating te begeleiden, was psychotherapeut Hans Noltes (67).

Omdat rond Dirk de V. verkeerde beslissingen zijn genomen, trof minister van Justitie Donner vorige maand een schikking met de moeder van Tjirk van Wijk. Zij krijgt 10.000 euro – een unicum.

Na de moord stelde de familie van Tjirk van Wijk psychotherapeut Noltes medeaansprakelijk. Waarom had Noltes niet onmiddellijk gemeld dat Dirk de V. weer dronk, drugs gebruikte en een wapen in huis had? De rechtbank wees een causaal verband met de moord vorige maand van de hand, maar oordeelde ook dat Noltes `onrechtmatig' heeft gehandeld door zaken voor zich te houden.

Waar ging het mis met de man die bekend stond als de gevaarlijkste tbs'er van Nederland? Voor één keer vertelt Hans Noltes over zijn contact met Dirk de V., die in hem een vader zag, over zijn decennialange ervaring met tbs'ers in de Groningse Van Mesdagkliniek en over oude en nieuwe opvattingen in de forensische psychiatrie. `Misschien wilde ik met Dirk iets bewijzen.'

Dertig jaar lang werkte ik als psychotherapeut met tbs'ers in de Van Mesdagkliniek in Groningen. En ál die jongens heb ik beloofd dat ik ze nooit aan hun lot zou overlaten. Dat ze me ook na hun tbs-tijd gewoon thuis konden bellen als het moeilijk werd.

Soms deden ze dat. Eén belde toen zijn nieuwe vriendin het uitmaakte, omdat ze van zijn verleden hoorde – hij kreeg destijds tbs omdat hij zijn vrouw had vermoord, en nu vertrouwde hij zichzelf niet. Een andere jongen stond hier op een dag tegen een boom naar mijn huis te kijken. Helemaal aan lager wal geraakt, zwaar alcoholist, zat in de daklozenopvang. En nu wilde hij zijn ex vermoorden, kwam hij me zeggen. Ik sluit een moordcontract met je, zei ik. Zo noemde ik dat. Je mag binnen komen om erover te praten, maar dan blijf je daarna wél bij die vrouw uit de buurt. En daar hield zo'n jongen zich aan.

Bij mij konden ze spanning kwijt. Omdat ze me vertrouwden. Door het te zeggen hoefden ze het niet meer te doen.

Dirk was een geval apart. Een buitengewoon gevaarlijke jongen. In 1976 veroordeeld tot tbs na doodslag. Die behandeling duurde tot 1982. Toen ik Dirk in de Van Mesdagkliniek leerde kennen, zat hij alweer een volgende straf uit, zes jaar celstraf wegens vechtpartijen in cafés, waarbij hij mensen zwaar had verwond met een mes. Dirk deed het altijd met messen. Hij had nu geen tbs gekregen, maar kwam het laatste jaar van zijn detentie in de Van Mesdag om te resocialiseren. In de gevangenis had hij al die jaren zware medicatie gekregen om rustig te blijven en daar wilde de psychiater in de Van Mesdag hem vanaf helpen. Dat veroorzaakte spanning bij Dirk, angst.

Dirk heeft een enorme borderlinestoornis, kan heel heftig reageren en is extreem gewelddadig. Een karate-expert. In de kliniek heb je zo'n veertig man beveiliging, die waar nodig met helmen en schilden komen optreden. Die durfden de cel van Dirk niet in.

Maar Dirk is ook een man die – en dat weet niemand – heel teder en aardig kan zijn. Mij adoreerde hij. Dirk had een intense, idealiserende overdracht, zoals wij psychotherapeuten dat noemen. Ik was in zijn beleving een soort goede vader voor hem. Een haast kinderlijke opstelling had hij. Het maakte dat ik de enige was die hem in allerlei situaties kon benaderen.

Dirks eigen vader bedreigde hem als jonge jongen met messen en schoot op een dag vijf kogels door Dirks lijf. Vóór alles moet je je bewust zijn van de ongehoorde voorgeschiedenis die tbs'ers hebben. Moet je beseffen hoe inténs ziek ze zijn. Nu de laatste jaren de roep om een harde aanpak van tbs'ers zo luid wordt, realiseren mensen zich dat niet meer. Maar mensen die in een tbs-kliniek zitten, geloof me, die hebben récht te zeggen dat ze een moeilijke jeugd hadden.

Op de een of andere manier heb ik me bij de jongens in de Van Mesdagkliniek altijd als een vis in het water gevoeld. Ik ben een beetje besmet door mijn ouders. Wij hadden in de oorlog veel onderduikers. Mijn vader was in Wierden de leider van het verzet. Alles gebeurde in de sfeer van praktisch christendom: dat dééd je gewoon. Mijn eerste jeugdherinneringen zijn daar helemaal mee gevuld. Met heldendaden, leer je later. Ik weet nog goed hoe na de oorlog twee plechtige mannen in zwarte pakken en met hoge hoeden naar ons huis kwamen. Dat waren joden. Die kwamen mijn vader een medaille brengen.

Met een gewonere opvoeding was ik misschien tot een meer gewone beroepskeuze gekomen. Maar het is aan me blijven trekken: mensen die je hard nodig hebben, die hélp je. Dat móét. En wat die mensen gedaan hebben, dat is niet interessant.

Maar toen bij een buitenlandse collega ooit het verzetswerk van mijn vader ter sprake kwam zei die: `It's not simple to live in the shadow of an oak.' Dat heeft ook een rol gespeeld, en dat verwijt ik mezelf. Dat ik Dirk misschien te graag heb willen redden. Om mijn eigen heldendaad te verrichten.

Toen Dirk zijn straf voor die vechtpartijen had uitgezeten wilde hij in Assen komen wonen, dicht bij mij in de buurt. Maar er was hier geen woning voor hem. Hij is toen naar Amsterdam vertrokken, heeft zich volgegoten met whisky en heeft daar met geweld een café beroofd. Toen is hij meteen weer veroordeeld, tot vier jaar celstraf met tbs. En toen had justitie een probleem.

In de bajes was Dirk niet meer te handhaven, ondanks de medicijnen die hij prompt weer kreeg. Hij werd nóg gewelddadiger, mensen durfden nauwelijks in zijn buurt te komen. Hij moest zo'n beetje iedere veertien dagen naar een andere gevangenis. Uiteindelijk hebben ze hem in de extra beveiligde gevangenis van Vught gezet. Ik heb hem in die tijd niet gezien.

Drie jaar later brak de tijd voor tbs aan. De eerste twee jaar van zijn tbs blééf Dirk in de bajes. Geen tbs-kliniek was nog bereid hem op te nemen. Men ging ervan uit dat een tbs-behandeling een man als Dirk geen barst meer zou helpen en wilde hem meteen op een resocialisatieafdeling zetten. Dat durfde geen kliniek aan. Dan breekt hij de boel af, was de gedachte.

Toen stuurde Dirk me vanuit Vught een kaartje. Met een hondenkop erop: Hans, je laat me toch niet zakken? Ik schreef terug: `Ik laat je niet zakken.' Want dat had ik al die jongens beloofd. Dirk heeft toen rondverteld: als ik eruit mag, dan is er in Assen iemand om me op te vangen. Misschien had ik deze keer moeten zeggen: Ik word al ouder, ik hou ermee op.

Omdat niemand hem wilde hebben, besloot de rechter in juli 1999 dat Dirk moest worden vrijgelaten. Hij mocht buiten een kliniek resocialiseren, zoals dat heette. Op voorwaarde dat hij van de drank en drugs afbleef, zich liet begeleiden door het Consultatiebureau voor Alcohol en Drugs in Assen, en dat hij twee keer per week naar een therapeut ging. En in dat vonnis werd ik als de therapeut genoemd.

Ik wíst dat toen niet eens. Ik kreeg op een gegeven moment gewoon een telefoontje van het CAD in Assen. Dirk komt eraan, zeiden ze. En ik had beloofd hem niet te laten zakken. Dus heb ik met het CAD afgesproken dat ik hem twee keer per week zou opzoeken en dat het op vertrouwelijke basis zou zijn. Die vertrouwelijkheid was de enige manier om met Dirk te kunnen omgaan, hij moest zich veilig bij me kunnen voelen. Zo had ik jaren met tbs'ers en met hem gewerkt. Alleen als Dirks optreden acuut gevaar voor hemzelf of anderen zou kunnen opleveren, dan zou ik daarvan bij het CAD melding maken, was de afspraak. Ik noemde me Dirks buddy.

Ik kreeg er niet voor betaald, dat wilde ik niet. Formeel was ik in die periode nog in dienst van de Van Mesdagkliniek, maar ik zat al een tijdje thuis. Officieel heette ik overspannen, maar eigenlijk was ik op non-actief gesteld. Later volgde een langdurige ontslagprocedure. Ik ben ontslagen op grond van onverenigbare opvattingen over het behandelbeleid in de kliniek.

Ik weet dat ik in de ogen van veel mensen een softe jongen ben. Misschien ben ik uit de tijd. Ja, ik ben zéker uit de tijd. Tussen mijn aankomst in de Van Mesdag en mijn definitieve ontslag is de behandeling van tbs'ers volkomen veranderd. Wat er mis ging tussen mij en Dirk hangt daarmee samen.

Toen ik in 1967 in de Van Mesdagkliniek kwam werken bestond die net vijf jaar. De Van Mesdag was een begrip in die tijd, ook internationaal. Ze kwamen uit de hele wereld kijken naar ons tbs-concept. Overal ter wereld was de opvatting dat psychopaten niet te behandelen waren, en Nederland probeerde het tóch. Wij waren humaan. In die tijd kon er veel. We mochten bijvoorbeeld gewoon een weekje op kamp naar Ameland met een groep tbs'ers. En tot in de jaren zeventig wandelden tbs'ers gewoon mee in de wandelvierdaagse van Nijmegen! En dan naderhand tellen of we ze allemaal nog hadden, hè.

Op mij kun je vertrouwen. Dat was hét uitgangspunt voor de behandeling van tbs'ers in die tijd.

De therapie in de Van Mesdagkliniek was analytisch gericht. Je probeerde iets aan de persoonlijkheid van die jongens te doen. Dat kon alleen als een patiënt er zin in had. Anders leidde het tot niets, dan hoefde het niet. Psychoanalyse is dus een bijzonder kwetsbare vorm van therapie.

Geheimhouding is de ziel van de analytische therapie – zéker bij tbs'ers. Psychopaten weten maar één ding zeker: niemand is te vertrouwen. De hele behandeling was dus gericht op de vraag: als je tot je nek in de rotzooi zit, durf je dan hulp te vragen? Neem ook hun geheime fantasieën. Als je zicht wil houden op de neiging van een tbs'er om te recidiveren, dan moet je zijn fantasieën kennen. En die vertelt een tbs'er je alleen als hij erop kan vertrouwen dat je ze geheimhoudt.

Nee, dat hoeft helemaal niet te betekenen dat je de gijzelaar van die vertrouwensrelatie met een tbs'er wordt. Juist als je een patiënt zover hebt gekregen dat hij jou iets vertelt, dan kun je hem er door dat onderlinge vertrouwen vaak toe brengen het ook aan zijn afdelingsarts te vertellen. En díé gaat het dan rapporteren.

De analytische methode werkte decennialang juist goed. Toen de Van Mesdagkliniek vijfentwintig jaar bestond, ben ik eens gaan tellen. Ik had toen twintig jongens behandeld en daarvan waren er zeventien zonder delict gebleven.Dat is veel.

Een gijzelaar heb ik me maar één keer gevoeld. Dat was, uiteindelijk, bij Dirk.

De ommekeer begon halverwege de jaren '80. Hjalmar van Marle was de eerste directeur van de Van Mesdagkliniek waarmee ik een verschil van opvatting had. Hij is later een belangrijk adviseur van de minister geworden – om even duidelijk te maken hoezeer hij van invloed is geweest op wat veranderde.

Van Marle had een nuchtere kijk op de zaak. Hij benadrukte in de eerste plaats de orde in de kliniek. Het streng begrenzen van gedrag. Natúúrlijk moet je dat, zodat je niet in de softe hoek terechtkomt. Ik verzeker u dat ik als afdelingshoofd niet gemakkelijk was tegen die jongens als ze wat gedaan hadden. Als ze wat gedáán hadden, konden ze daar ook heel goed mee leven. Toen een jongen een emmer kokend water over de chef de clinique heengooide: onmiddellijk naar de isoleercel en gedwongen op medicatie. Maar repressie is iets waar je uitermate zorgvuldig mee moet zijn. Repressie zonder reden is contraproductief. Voortaan moesten ook jongens die een dag te laat van verlof terugkeerden en helemaal niet agressief waren naar de isoleer, totdat Van Marle had uitgezocht hoe het zat. Ik verdroeg dat niet. Een isoleercel was alleen bedoeld voor ernstige dreiging.

In die tijd kwam ook de gedragstherapie in de mode. Daarbij ben je in de eerste plaats bezig een patiënt vaardigheden aan te leren. Sociaal gedrag bijvoorbeeld, of het beheersen van impulsen. Dáár kon je snel en hevig `productie' mee maken. Dát leidde tot meetbare resultaten. Zelf geloof ik inmiddels ook dat die gedragsmatige aanpak meer effect heeft dan de analytische therapie – dat is echt iets van de jaren '60 en '70. Zeker in een tbs-kliniek vraagt psychoanalyse heel veel van iedereen. De kliniek moet in orde zijn, het personeel moet zich veilig voelen om de noodzakelijke vertrouwensband te kunnen scheppen met een patiënt. Die omgeving wás er, maar begin jaren '90 zou dat door de verzakelijking in het tbs-denken veranderen.

Toen kwam er een nieuwe directeur. Een modérne directeur. Deze man besloot de geheimhouding van psychotherapeuten op te heffen. Want hij was een echte manager, en die kon het natuurlijk niet hebben dat er een hele afdeling was waar hij door die geheimhouding geen grip op had. Ik was het hoofd van die afdeling. Wij moesten informatie aanleveren. In plaats van om de persoonlijkheid van iedere afzonderlijke patiënt ging het voortaan om resultaten die je kunt tellen. En daarvoor moest de geheimhouding, de ziel van de analytische therapie, worden opgeheven. Het wankele evenwicht tussen therapeuten en patiënten kwam volledig op de tocht te staan.

Bovendien stond een nog veel grotere reorganisatie op stapel. Een idiote opdracht: de van Mesdagkliniek moest tegelijkertijd bezuinigen, reorganiseren én van 80 naar 180 plaatsen groeien. Die schaalvergoting was het gevaarlijkst. je hebt veel meer personeel nodig, en krijgt opeens een grote groep relatief onervaren mensen binnen. Om met de gevaarlijkste mensen uit een samenleving te werken!

Als hoofd van mijn afdeling en supervisor zat ik als een spin in dat web. Ik kreeg alle ellende over me heen. Het liep zo hoog op dat ik het pand in 1997 heb verlaten. Eerst overspannen, later in de ontslagprocedure. Niet lang na mijn vertrek gingen er echt dingen mis. Een therapeute werd door een patiënt verkracht. Andere vrouwelijke therapeuten werden geschorst, omdat ze verliefd waren op patiënten – vind je het gek, als door die reorganisatie opeens 40 procent van het personeel vrouw is. Toen ik begon, werkten er maar twee vrouwen. De rijksrecherche begon een onderzoek naar de misstanden in de kliniek. Interim-managers bleven elkaar opvolgen en bekritiseren, steeds moest het roer weer om.

Bij het woord `managen' ga ik tegenwoordig over mijn nek. Vroeger werd ons nog geleerd dat het niveau van beschaving van een land is af te lezen aan de manier waarop het met zijn gevangenen omgaat. Dát is waarvoor ik sta. Maar dat is over, dat van toen bestáát niet meer.

Ik denk dat de zaak met Dirk ook een reactie is geweest op mijn periode in de Van Mesdag. Als je dertig jaar bezig bent geweest een tbs-systeem te helpen opbouwen en het eindigt zó, dan is dat heel naar. En dan komt er nog één keer een Dirk langs, toevallig net de moeilijkste jongen van allemaal. Misschien wilde ik iets bewijzen.

In de zomer van 1999 kwam Dirk dus in Assen wonen en ik zou hem helpen te resocialiseren.

De vrijlating kwam al uiterst beroerd, ik ging net vijf weken met vakantie. In de tussentijd heeft hij zijn moeder gevraagd of hij niet bij haar mocht wonen. Ook zij wees hem af. Toen ik hem terugzag, leek hij me verschrikkelijk eenzaam. Als je met hem zat te praten, daalde er een soort mist over je neer.

De eerste paar keer zag ik Dirk bij het CAD. Daarna ontving hij me in de woning die hij toegewezen had gekregen. We dronken koffie, rookten een shaggie, en dan praatten we wat. En Dirk nam onder mijn toezicht zijn verplichte refusal in – pillen waardoor je gaat braken als je alcohol drinkt. Achteraf gezien had ik nooit moeten toestaan dat ze dat aan mij overlieten – daar was het CAD voor. Maar de maatschappelijk werkster die namens het CAD contact met Dirk onderhield, zei dat ze daar niemand voor hadden. Of ik het niet wou doen? Ik heb toen een beetje impulsief ja gezegd. Dat heeft verwarring gegeven. Dirk vroeg op een gegeven moment: `Hans, als ik de refusal niet inneem, meld jij dat dan?' Ik zei: `Dat kán je niet doen. Dan verbreek ik onmiddellijk het contact.' Hij grijnsde. Jongens zoals hij willen dat je een grens trekt.

Maar dat toezicht op de hele refusalinname was eigenlijk pure flauwekul. Want Dirk moest zélf naar de apotheek om de refusal te halen. Dus als hij het eenmaal onder mijn oog in zijn mond stopte – hoe kon ik dan zeker weten dat het nog steeds refusal wás? Het had ook een aspirientje kunnen zijn.

Vervolg op pagina 24

`Hans, je laat me toch niet zakken?'

Vervolg van pagina 23

Op een maandagochtend 22 september kwam ik weer langs. Toen vroeg hij opeens nogal expliciet of hij zo nodig mijn hulp kon inroepen. En of ik dat dan geheim zou houden. Ik zei dat hij me kon vertrouwen.

Diezelfde avond kwam mijn vrouw mijn werkkamer hier thuis binnen. Ze had een schreeuwende Dirk aan de telefoon. `Je moet onmiddellijk naar hem toe, er is crisis.' Ik ben naar Assen gevlógen. Maar ik was ook zó bang. Ik was de Van Mesdagkliniek gewend, met honderd man om me heen. Ik ben nog nooit zo bang geweest.

Waarom ik geen húlp heb ingeroepen? Dacht u dat het CAD 's avonds te bereiken was? Of dat de politie durfde te komen? Ik weet hoe ze zijn, met Dirk. Dan moest er een arrestatieteam komen. Terwijl ik op grond van mijn ervaring met hem wíst: als ik het juiste gevoel maar raak bij hem, dan komt het goed.

Hij had alles gebarricadeerd. `Ik heb mijn cokedealer gebeld', riep hij. Hij had gebruikt. Voor het eerst weer. Nee, dat hij dat al langer deed, zoals later voor de rechter is gezegd, dat is echt ónzin. Dat zou ik hebben gemerkt. Dirk zei dat hij zijn dealer zou willen vermoorden met een mes. En dat hij hem wilde bedreigen met zijn alarmpistool.

Ik zei: `We gaan nu naar Avereest, naar tbs-kliniek Veldzicht bedoelde ik, daar zullen ze je opnemen op de resocialisatieafdeling, als ik het vraag mag het wel.' Want ik kende de directeur daar goed en ik wist dat hij mij wel uit de brand zou helpen. Dirk wilde eerst wel, maar toen toch niet. `Dan laten ze me nooit meer gaan', zei hij. Dirk stelde voor om methadon te gaan halen, want daar werd hij rustig van.

Dus ik probeerde methadon te krijgen, belde zijn huisarts, vertelde het hele verhaal. Na een kwartier konden we bij een apotheek methadon ophalen. Dirk werd rustig, vertelde dat hij al drie dagen niet had gegeten, dus ik nam hem mee naar een snackbar en kocht wat patat voor hem. Toen hij een tijdje later echt gekalmeerd was, heb ik hem naar huis gebracht. Belangrijk is dat we het toen nog wel hebben gehad over, of zeg maar dat we hebben onderhándeld, over wat ik zou zeggen aan het CAD. Ik wilde het ontzettend graag melden. Ik legde Dirk uit dat het CAD de volgende dag hoe dan ook zou weten dat hij methadon had gekregen, want zoiets wordt door de huisarts gemeld. Maar wat zou ik verder zeggen? We hebben afgesproken dat ik het CAD kon vertellen dat hij extreem angstig en dreigend was geweest. Dirk heeft me bezworen niet te vertellen dat hij een alarmpistool in huis had.

Daarom heb ik de volgende ochtend alleen bij het CAD gemeld wat Dirk en ik hadden afgesproken. Ik kon zijn vertrouwen niet beschamen. Dan zou hij onmiddellijk levensgevaarlijk zijn geworden – ook voor mij. Bovendien, vind ik zelf, heb ik me méér dan aan mijn verplichtingen gehouden: eerst heb ik acuut gevaar afgewend en toen heb ik dat aan het CAD gemeld.

Daarna ben ik weer naar Dirk gegaan. Ik heb gezegd dat ik niet samen met een alarmpistool in zijn huis wilde zijn. Hij woest, maar ik kreeg het pistool, met de kogels erbij. Toen de politie eenmaal bij me kwam, lag het alarmpistool nog bij mij thuis.

Later, tijdens de rechtszaak van de familie tegen mij, is veel over dat alarmpistool gesproken. Maar geen woord over de messen! In de keuken van Dirk stond een compleet messenblok, voor iedereen zichtbaar. Terwijl heel justitieel Nederland wist dat Dirk het met messen deed. Nooit met pistolen.

Ik bleef na dat voorval bij Dirk langskomen, en op een donderdagmiddag zit daar prinsheerlijk een mevrouw die 83 lijkt. Een chronische junk, mijn god. En Dirk wilde met haar trouwen en weer glazenwasser worden.

Op zondagmorgen 10 oktober belde Dirk weer schreeuwend naar mijn huis: `Je moet me helpen!'. Dirk en die vrouw zaten samen te huilen. Zij van boven ontbloot en op haar hoofd had Dirk een hele lap haar weggeschoren. `Want de kroon van een vrouw is haar haar', zei hij. Opnieuw smeekte Dirk me hem eerst naar de kliniek Avereest te brengen: `Ik hou het niet meer.' Opnieuw kwam hij daarop terug, bang dat die vrouw intussen zijn huis zou leeghalen. `Breng háár alsjeblieft naar de politie', zei Dirk. Dat heb ik gedaan. Daarna is de recherche dan toch bij Dirk langsgeweest. De politie en ik hebben over het voorval gerapporteerd aan het CAD.

Een paar dagen daarna, op 14 oktober, kwam ik opnieuw op bezoek. Dirk was nu in een uitstekend humeur, vol plannen over zijn toekomst. Toen het tijd was voor zijn refusal, vertelde hij me dat hij die ochtend een fles bier had gedronken. Omdat hij de refusal altijd trouw had ingenomen, heb ik het tabletje voor één keer bij hem achtergelaten en toegestaan dat hij het een paar uur later zou innemen. Zodat hij niet ziek zou worden. Hij stak het heel zorgvuldig in zijn zak.

Twee dagen later heeft hij Tjirk van Wijk doodgestoken.

Het was zaterdagavond laat toen de politie mij belde. Dat het nu echt was misgegaan met Dirk. Dat hij lukraak ergens had aangebeld. Tientallen messteken.Dat het slachtoffer een autistische jongen was. Mijn maag draaide zich om.

Dirk, zei de politie, had ze zelf gevraagd mij te bellen. Zodat ik het niet in de krant zou hoeven lezen.

De politie is later nog bij me thuisgekomen, toen heb ik ze ook het alarmpistool gegeven.

Ik heb Dirk in de gevangenis geschreven, twee brieven, geen antwoord. Nu gaat het mis, dacht ik toen. Hier is iets aan de gang, nu moet ik juridische hulp inroepen.

Ik heb in die dertig jaar nog nóóit meegemaakt dat die jongens me afvielen. Bij Dirk voelde ik gewoon dat hij was omgegaan. Dat hij vanaf nu de schuld aan mij zou proberen te geven. Toen de recherche hem vroeg of ik fouten had gemaakt, is hij daar gretig op ingegaan. Hij heeft bijvoorbeeld gezegd dat het mij geen sodemieter interesseerde wat hij met die refusal deed.

De familie van Tjirk van Wijk zocht intussen de media. Natuurlijk begrijp ik dat. Al hebben ze mij er ook veel mee aangedaan. Het falen van Hans Noltes is overal breed uitgemeten. Ik heb ze twee keer contact aangeboden, maar ze wilden niet. Niet lang daarna stond de deurwaarder hier op de stoep met een vordering van 115.000 gulden namens de familie, wegens aansprakelijkheid voor de moord.

Het ministerie van justitie en het CAD hadden ook een vordering ontvangen en zij onderhandelden intussen over een schikking met de familie van Tjirk van Wijk. Mijn advocaat stelde voor mee te doen. `Dan ben je ervan af'. Ik peinsde er niet over, ik wil van elke blaam worden gezuiverd. Maar mijn vrouw en kinderen smeekten me de zaak af te sluiten. Daarom heb ik in eerste instantie meegedaan. Die gezamenlijke schikking heeft de familie geweigerd. Later zijn Justitie en het CAD er veel forser overheen gegaan: nu betalen ze naast de onkosten ieder 10.000 euro aan de familie voor gemaakte fouten. Ik had me intussen weer teruggetrokken uit de onderhandelingen. Ik wil toch écht mijn naam gezuiverd hebben.

Toen Justitie en het CAD eenmaal hadden geschikt, was ik de enige die overbleef in de zaak die de nabestaanden van Tjirk van Wijk hadden aangespannen. In juli heeft de rechtbank hun vordering afgewezen. Volgens de rechtbank staat de moord op Tjirk van Wijk niet aantoonbaar in verband met meldingen die ik heb nagelaten. De rechtbank oordeelde tegelijk ook dat ik onrechtmatig heb gehandeld. Omdat ik het vertrouwelijke karakter van mijn relatie met Dirk niet voldoende zou hebben doorbroken, toen hij zich niet hield aan een aantal voorwaarden voor zijn vrijlating.

Ik voel me door dat vonnis verslagen. Hoe kan het dat er niets in staat in de trant van: dit is gebeurd uit respectabele motieven? En nu? In hoger beroep? Ik zou een aantal vooraanstaande personen uit de forensische psychiatrie willen vragen of zij voor het gerechtshof een rapport zouden willen uitbrengen. Als zij zeggen: `Maar je had het zo niet moeten doen', dan ga ik niet in hoger beroep. Maar als ze zeggen: `Je hoeft je niet te schamen', dan wil ik dat dit rechtgezet wordt.

Natuurlijk hoopte ik Dirk te kunnen redden. Anders begin je niet aan zoiets.

Maar hij was de laatste. Met tbs-patiënten wil ik nooit meer werken. Ik durf niet meer.