Elf etmalen op zee

Als lid van de vierkoppige bemanning van een 17 meter lang zeiljacht raakte Roel Janssen gewend aan het ritme van de oceaan.

Met de Grote Beer aan bakboord en de Poolster schuin boven de boot kom je er vanzelf. Zo ongeveer moeten de zeevaarders het eeuwenlang gedaan hebben op hun zeiltochten van Amerika naar Europa. Navigeren op de sterren, de Poolster als oriëntatiepunt aan de nachtelijke hemel. Houd de Poolster wat meer naar links en je vaart naar het oosten, eindigend op de Iberische kust, een beetje meer naar voren en het gaat noordoostelijk naar Engeland. Tegenwoordig houden toerzeilers op de Atlantische Oceaan koers met een gps – global positioning system – en met een stuurautomaat.

De automaat staat op 49 graden, de wind waait schuin van achteren en zo koersen we af op Lizard Point aan de westpunt van de Engelse zuidkust. We zijn op weg van de Azoren naar Nederland op een Hallberg Rassey 53, een voortreffelijk uitgerust zeilschip van zeventien meter lengte. Het schip wordt in etappes overgevaren van de Caraïben en wij doen met z'n vieren het laatste stuk, van Horta naar Scheveningen, zo'n 1.500 zeemijl (2.700 kilometer).

De Azoren zijn het meest vooruitgeschoven stukje van Europa in de Atlantische Oceaan. Omringd door water, halverwege New York, kun je er met euro's betalen en je mobieltje gebruiken. Horta ademt de sfeer van een gemoedelijk Portugees dorp, onthaast en allesbehalve toeristisch.

Jaarlijks – het seizoen is van april tot en met juni – leggen zo'n elfhonderd zeilboten aan in de haven van Horta, de vaste tussenstop op de transatlantische oversteek van de Caraïben naar Europa. Daarvan zijn er ruim honderd met een Nederlandse vlag. De jachthaven van Horta is een feest. Op de kademuren en op de betonnen steigers hebben oceaanzeilers de datum van aankomst geschilderd, een kleurige lappendeken met de namen van boten en bemanningen die hier na de weken durende overtocht uit de Caraïben – een slordige 2.500 zeemijl – hebben afgemeerd. In Café Peter Sport, de pleisterplaats van de passerende zeilersgemeenschap tegenover de haven, hangen vlaggen, vaantjes en foto's, herinneringen aan geleverde prestaties. Aan de eenvoudige houten tafels worden sterke verhalen verteld, wederwaardigheden uitgewisseld en contacten gelegd. Naast de bar hangt een dagelijkse kaart met weersvoorspellingen voor het mid-atlantische gebied.

We vliegen via Lissabon naar Horta op het eiland Fayal. Omdat de aankomst van ons schip door windstiltes op de oceaan op zich laat wachten, gebruiken we de tijd om het eiland te verkennen. Een rondje Fayal is 45 kilometer. In 1957 heeft zich een heftige vulkaanuitbarsting voorgedaan, waardoor er een stuk nieuw land is ontstaan. De oude vuurtoren van Capelinhos staat niet langer op de rand van het eiland, maar verloren in een doods en kaal landschap van gestolde lavasintels. De toren wordt in ere gehouden als monument voor de tragedie.

We nemen een veerboot naar het tegenover liggende eiland Pico, waar zich de hoogste berg van Portugal bevindt. In het plaatselijke walvissenmuseum wordt de geschiedenis van de walvisvangst in ere gehouden. De zeeën rond de Azoren waren beroemde walvisgebieden en er werd op de traditionele manier met lange, houten roeiboten en een werpharpoen gejaagd. De allerlaatste walvis werd hier in 1987 gedood. Tegenwoordig bestaat de mogelijkheid met motorbootjes dagtochten te maken om naar walvissen en dolfijnen te kijken.

Op een nevelige dag – het regent veel op de bloemrijke Azoren – vertrekken we. Ons schip is lokaal voorzien van voedsel en drank, de water- en dieseltanks zijn gevuld. De wind is gunstig, hard uit het noordwesten en draaiend naar het zuidwesten. Met een bakstagwind – schuin van achteren invallend – beginnen we aan onze overtocht. De zeegang is stevig, waardoor het onrustig varen en slecht slapen is. Het duurt een paar dagen voordat je gewend bent aan het slingeren, het ritme aan boord en een leefruimte van een enkele vierkante meters. 's Nachts houden we wachten van twee uur. Een zeilschip ploegt dag en nacht door het water. We maken een behoorlijke snelheid van acht knopen en vorderen zo'n 180 mijl (325 kilometer) per etmaal. We zien veel dolfijnen, die dartelen om de boot. En een stel walvissen. Twee, misschien meer. Er zouden in deze tijd van het jaar veel bultruggen zwemmen, maar op afstand kunnen we niet precies onderscheiden welk walvissen het zijn. Wel kunnen we zien hoe ze onbekommerd water in de lucht spuiten, als een soort fluitende stoommachientjes.

De oceaan is hier 3.000 meter diep. Tussen ons en het zoute water zit een harde laag polyester, daaronder is er niets tot de bodem. Nergens is een schip te bekennen. Op de oceaan ben je op jezelf, op elkaar en je schip aangewezen. En op het weer.

Het gaat stormachtig waaien. Een storm aan boord van een zeilboot is een attractie waarvoor mensen op de kermis grif bereid zijn te betalen. Alles beweegt en slingert heen en weer. Er is voortdurend gerammel van kopjes of pannen die door de kastjes schuiven en de borden met het avondeten vliegen onvermijdelijk door de kajuit. 's Nachts is de belevingservaring nog groter: het is pikdonker, alleen de schuimkoppen van het water zijn zichtbaar, het gegier van de wind overstemt alles, de golven komen van achteren aan, tillen de boot op en werpen hem schuin op de kant. Het schip lijkt aan zichzelf te zijn overgeleverd en toch houdt het koers. Het is alsof je de bemanning vormt van een ruimtecapsule die met hoge snelheid wordt voortgejaagd zonder dat je er invloed op kunt uitoefenen. En we blijven gestaag voortgang maken.

Er is onderweg het nodige kapotgegaan, we leggen aan voor een tussenstop in de jachthaven van Lymington aan de Engelse zuidkust bij het eiland Wight. Het wonderbaarlijke van de zeilwereld is dat noodreparaties onmiddellijk worden uitgevoerd. Vijftien uur later varen we, met een gerepareerd grootzeil en klein motoronderhoud, alweer verder richting Dover.

Pas voorbij het Nauw van Calais op de Noordzee wordt het druk en moeten we uitkijken voor andere schepen. Permanent zijn er minstens tien vrachtschepen, ferry's of vissersboten om ons heen zichtbaar. 's Nachts varen we onder de Nederlandse kust en kruisen we voor de Maasvlakte de monding van de Nieuwe Waterweg. Overal zijn lichten, van andere schepen, van de installaties op het land, van vuurtorens en de betonning. Links, rechts, voor en achter zijn er rode, groene, gele, knipperende, flitsende en vaste lichten. Het is alsof je in een flipperpaleis bent terecht gekomen. Het vraagt concentratie – en dat na elf etmalen nauwelijks slaap.

In alle vroegte meren we af in de haven van Scheveningen. Er zijn zoenen, omhelzingen, champagne en taart. Onze kleren zijn vuil, zelf zijn we vooral uitgeput, euforisch en over ons slaaptekort heen. En vervuld van het overweldigende gevoel van een volbrachte prestatie.

Bereikbaarheid: Horta is vanuit Amsterdam dagelijks te bereiken met de TAP, overstap in Lissabon. SATA vliegt van Frankfurt en Lissabon op Ponta Delgada.

Walvis spotting: Café Peter Sport en Espaço Talassa.