De zomer van de zeevenkel en koninginnepage

De hittegolf heeft zijn uitwerking op de natuur niet gemist. Er zijn soorten bijgekomen en biologen speculeren al over palmen op de Dam.

,,De hete zomer heeft zeker gevolgen voor de natuur'', zegt dr. Ruud van der Meijden van het Rijksherbarium in Leiden, ,,al kun je een-twee-drie nog niet voorspellen welke. Zeker is dat zuidelijke soorten verder zullen oprukken, een proces dat al enkele jaren aan de gang is. Bij planten betekent dat dat er in Nederland veel nieuwe soorten bij zullen komen, terwijl er maar weinig af gaan.''

Zelf vond Van der Meijden dit jaar bij de Kwade Hoek op Goeree-Overflakkee een nieuwe soort voor Nederland. ,,Ik denk'', zegt hij, ,,dat ik hem – in samenspraak met onze zuiderburen – `struikaster' ga noemen.'' Van der Meijden mag als auteur van de wetenschappelijke `Heukel's Flora' de Nederlandse naam bepalen. ,,Het is een van oorsprong een Noord-Amerikaanse plant, die via Frankrijk en België geheel op eigen kracht bij ons gekomen is. Nog zo'n nieuwe zuidelijke plant is de zeevenkel. Daar is geen mens aan te pas gekomen.''

De reden waarom Van der Meijden vooral winst verwacht en weinig verlies, is dat zuidelijke streken gewoon veel soortenrijker zijn: ,,Je merkt het al als je in de buurt van Parijs inventariseert – een veel grotere soortenrijkdom.''

Maar de hete zomer heeft ook andere effecten. Planten die door vernatting in de verdrukking kwamen, krijgen nu weer een kans. ,,De duinvalleien'', zegt Van der Meijden, ,,waren de afgelopen jaren wel erg nat geworden. En sommige soorten waren bijna weg. Maar de zeldzame groenknolorchis bloeit in Voorne nu weer in grote aantallen.''

,,Waar ik vooral heel benieuwd naar ben'', zegt hij, ,,is volgend jaar. Door de hete zomer vallen nu allerlei oevers droog die al jaren onder water stonden. De zaadbank daarin komt dan vrij met soorten die hier vijftig jaar geleden stonden.'' Vijftig jaar oude zaden die ontkiemen? Van der Meijden: ,,O, dat is niets bijzonders, er komen wel oudere zaden tot leven. Er moet wel iets gebeuren: droogvallen, verwarmen, omwoelen. Maar we weten de laatste jaren dat zaden heel lang kiemkrachtig blijven.''

Een apart fenomeen ziet Van der Meijden in het ontstaan van een zogeheten `stadsflora' met planten die zijn aangepast aan het stenige, maar warme stadsmilieu; steden zijn gemiddeld zo'n vier graden warmer dan het platteland. In Amsterdam bijvoorbeeld is al op dertig plaatsen een vijg aangetroffen. Maar ook minder spectaculaire warmteminnaars zijn verschenen: glanzige ooievaarsbek, hoge fijnstraal en bezemkruiskruid. Van der Meijden verwacht dat het in de stad inmiddels zo warm is dat sommige soorten palmen het wel zouden doen op de Dam.

De hete zomer heeft voor de vlinders zowel voor- als nadelen. Volgens Kars Veling van de Vlinderstichting is dit jaar het jaar van de koninginnepage: ,,Het is een prachtige vlinder, die tot voor kort alleen nog maar in het zuiden voorkwam. Maar dit jaar is hij enorm gaan zwerven, tot aan Groningen toe. We verwachten dat hij daar ook eieren legt, zodat zijn leefgebied volgend jaar veel groter is.'' Ook enthousiast is hij over de komst van het geraniumblauwtje in Zuid-Limburg: ,,Deze vlinder kwam voor het eerst in 1989 in Europa – in Mallorca – en is bezig aan een tocht naar het noorden.''

Maar de hete zomer heeft ook nadelen. Veling maakt zich zorgen over allerlei heidevlinders, die het voorjaar wel goed als rups zijn doorgekomen, maar nu als vlinder massaal uitwijken naar andere planten. ,,In Otterloo zie je nu heidevlinders nectar zoeken in stadstuinen – de verdroogde heide heeft zelf niets meer te bieden. Maar wat moeten ze straks doen als ze straks eieren gaan leggen? Op de verdroogde heide kunnen ze niet meer terecht.'' En dat geldt wel voor meer waardplanten, vermoedt Veling: ,,De rupsen hebben een goed voorjaar gehad, maar deze zomer kan ze nog wel eens nekken. Een voorbeeld? De veenbes in Drenthe verdroogt. En daarmee de rupsen van het veenbesblauwtje en veenbesparelmoervlinder – wat een naam trouwens hè, hij past niet eens op het scrabblebord.''

Plaaginsecten die door de warme zomers aan een opmars zijn begonnen, zijn de paardekastanjemineermot, die kastanjes aanvreet; de roodzwarte dennencicade uit het mediterrane gebied, die in ons land regelmatig dennen aantast; de koningsschildluis, die vooral in het warme stadsmilieu gedijt; en de eikenprocessierups. Die kwam voor het eerst in 1991 in ons land, maar is nu al berucht om zijn buitengewoon irriterende haren.