Recensie

Misschien is ze gewoon bang voor familie

Ben je een tor, of ben je een worm? In ‘Het mooiste verhaal over mijn familie’ van Nelleke Zandwijk deelt de hoofdpersoon de mensheid aldus op: ‘Een tor breek je. Een worm prak je.’

Ben je een tor, of ben je een worm? In Het mooiste verhaal over mijn familie van Nelleke Zandwijk deelt de hoofdpersoon de mensheid aldus op: ‘Een tor breek je. Een worm prak je.’ Bij een tor is het ‘alles of niets’, die knapt onder je schoen, een worm leeft verder als je hem doormidden knipt. En nog, als je die helften weer in tweeën knipt: ‘Ik weet niet precies hoe lang je hiermee door kunt gaan, het ligt aan de hoeveelheid hartjes.’ Het is precies dit soort vreemd-naïeve opmerking dat maakt dat je de ik-verteller van deze roman, een volwassen vrouw, vanaf het begin wantrouwt. Al in de proloog kondigt ze het trouwens zelf aan: ‘Ik spreek [...] nooit de hele waarheid. Die kennen we. Er zijn zoveel waarheden. Meestal pik ik het beste, het mooiste eruit en dat vertel ik.’

Het geeft een unheimisch gevoel, te weten dat de verteller onbetrouwbaar is. Het mooiste verhaal over mijn familie is dan ook geen roman die je meesleept, maar eerder een intrigerende puzzel. Wat is waar, en waarvan denkt de hoofdpersoon dat het waar is: wat klopt er nu eigenlijk van haar puntgave, geestige en ook ontgoochelende observaties?

Een duidelijke verhaallijn ontbreekt of schemert slechts door. Zandwijk (1961), in stijl en thematiek verwant aan Charlotte Mutsaers, Joke van Leeuwen en Anne Vegter, schreef een familieroman waarin op niemand een peil is te trekken. Alle personages zijn merkwaardig, of lijken dat in de ogen van de verteller. De ik-persoon is naar eigen zeggen ‘jullie-angstig’; misschien is ze gewoon bang voor familie, bang om ergens deel van uit te maken? Ze lijdt, als helft van een tweeling, aan een ‘dubbelgangerssyndroom’. Overal ontwaart zij, of eigenlijk vooral anderen, vrouwen die op haar lijken. Daarnaast is ze heel scheel.

Haar tweelingzus vindt alles in het leven gewichtig. Wat voor brilmontuur ze kiest: van levensbelang. Ook is ze een hypochonder. Ze heeft een zoon die al sinds zijn geboorte verlangt dat alles grijs is. Zijn eerste woord was ‘grijs’. Hij snakt naar een grijze hoekbank van Ikea. Zoekt hij houvast in normaliteit misschien? Zijn Belgische vader wordt wel ‘meneertje Apneu’ genoemd. Behalve aan ademnood in zijn slaap lijdt hij aan haat jegens alles wat Nederlands is, inclusief zijn vrouw, en koestert hij dure hobby’s die anderen buitensluiten, inclusief zijn vrouw.

De moeder van de tweeling is ‘heldervoelend’. Ze gelooft in reïncarnatie, in dat je vragen ‘de kosmos in kunt slingeren’. En dan zijn er nog de vriend van de verteller, een veteraan met PTSS, een schoonmoeder met een ‘negerpoppenverzameling’, nog wat bijfiguren, en de vader van de verteller. Weliswaar ‘ligt daar een deksel op’, om met Zandwijk te spreken, toch is hij, juist na zijn dood, nog sterk aanwezig.

Klinkt dit als veel? Dat is het ook. De kracht van dit boek is tegelijkertijd de zwakte. Alinea na alinea verover je op de weerbarstige verteller. Associatie na associatie, anekdote na anekdote word je heen en weer geslingerd, en plotseling sta je weer buiten. Bevreemd, of zelfs mild geïrriteerd, maar toch ook met de wil om direct van voren af aan te beginnen. Om erachter te komen wat je nou eigenlijk overkwam in dit boek, en uit te vinden wat je ervan denken moet.

    • Judith Eiselin