ATLANTISCHE OCEAAN BEVAT IN HET NOORDEN RIFACHTIGE HEUVELS

Langs de Rockall-Trog (in het noorden van de Atlantische Oceaan) komen op 500-1200 meter diepte grote heuvels voor. Ze kunnen een hoogte van zo'n 300 meter bereiken en de grootste zijn aan hun basis zo'n 5 kilometer in diameter. Dat is vastgesteld door geofysisch onderzoek, waarbij ook drie Nederlanders (onder wie Tjeerd van Weering van het NIOZ) zijn betrokken (Marine Geology, blz. 67). Bij het onderzoek werden ook soortgelijke heuvels ontdekt die inmiddels door jongere afzettingen zijn begraven. Monsters tonen aan dat het gaat om heuvels die zijn opgebouwd uit kalkmodder en dat op hun top diepwater-koralen leven met een daarmee geassocieerde fauna, waaronder sponzen. De koralen en sponzen groeien soms op stenen die ter plaatste terecht zijn gekomen doordat afsmeltende ijsbergen er meegevoerd materiaal dumpten. De heuvels zelf worden door deskundigen beschouwd als het minst begrepen type rif – als het al riffen zijn.

Dergelijke heuvels van kalkmodder in diep water waren in het geologische verleden (tot ca. 65 miljoen jaar geleden) tamelijk gewoon, maar sindsdien is het een zeldzaam fenomeen. Een gebiedje bij de Bahama's gold lang als het enige hedendaagse (maar veel kleinere) voorkomen. De laatste jaren zijn er bij de offshore-exploratie van olie en gas nog enkele voorkomens gevonden. De meest gangbare theorie is dat de heuvels zijn ontstaan door het opborrelen (en daarbij meesleuren van kalkmodder) door uit de zeebodem ontsnappend gas, gewoonlijk methaan. Het zou dan dus om een soort moddervulkanen gaan (die later de kern gingen vormen van rif-achtige structuren).

Die verklaring gaat niet op voor de heuvels die door het team onder leiding van Van Weering zijn gevonden: er is geen spoor van ontsnappend gas aangetroffen. Bovendien valt hij moeilijk te rijmen met de precieze ligging van de heuvels (soms in rijen die vrijwel parallel aan de trog lopen), die soms wel en soms niet voorkomen op plaatsen die verder ogenschijnlijk identiek zijn. Er moeten dus zeer lokale factoren een rol spelen bij het ontstaan van deze uitzonderlijk grote heuvels.

Op basis van monsters, foto's en video-opnames menen de onderzoekers dat de heuvels een aantal hardere, korstachtige niveaus bevatten, zoals dat ook bij het hedendaagse equivalent op de Bahama's het geval is. Die niveaus zijn volgens hen in een eerste fase gevormd, doordat carbonaten de bovenste delen van oorspronkelijk uit kalkmodder bestaande opeenhopingen aan elkaar kitten. Die harde toplagen vormden dan een goed substraat voor koralen en andere organismen. Tussen die rifachtige fauna zette zich weer kalkmodder af (met een snelheid van gemiddeld 6 mm per eeuw), waarna opnieuw een korst werd gevormd die weer als substraat voor een nieuwe fauna diende. Dit proces kon zich diverse malen herhalen (de laatste fase speelde zich waarschijnlijk gedurende het Plioceen-Holoceen af), wat de grote omvang van de diepwater-heuvels verklaart, evenals het huidige voorkomen van koudwater-koralen op die heuvels.