Antillen niet rekoloniseren

Het enige nieuwe element in de permanente crisis rond de Antillen is de tragikomedie van het premierschap van de familie Godett. Al het andere was er al: economische crisis, bestuurlijke malaise, het uiteenvallen van de Antillen-van-vijf, de exodus naar Nederland, hoge criminaliteit op de eilanden en onder Antillianen in Nederland.

De frustraties over de taaiheid van het `Antillen-dossier' leidt te onzent met regelmaat tot de verzuchting ,,dat ze dan maar onafhankelijk moeten worden'', dan wel juist moeten kiezen voor inlijving als provincie of overzeese gemeenten. Zulke uitspraken verraden een gebrek aan kennis van de Koninkrijksrelaties. Het Statuut, de `grondwet' van de Koninkrijksrelaties, sluit de keuze voor onafhankelijkheid of een provinciemodel niet uit. Vereist is wel dat de drie formeel autonome landen van het Koninkrijk – Nederland, de Antillen en Aruba – het daarover eens zijn. Welnu, daar is geen sprake van; zeker niet voor de optie onafhankelijkheid. De Haagse pressiemiddelen zijn zeer beperkt. Het inhouden van de ontwikkelingshulp zou de crisis overzee slechts verergeren en een nieuwe impuls geven aan de exodus naar Nederland, die nu al een derde van alle Curaçaoënaars omvat. Een immigratiestop is juridisch zeer problematisch en praktisch niet uitvoerbaar.

Ook voor de provincie-optie bestaat weinig steun op de eilanden. Nederlandse pleitbezorgers van die optie lijken te denken: ,,Dan zullen we zelf die Auchiasstal wel eens schoonvegen''. Maar op de Antillen zal een provinciemodel zeker niet als aantrekkelijk worden ervaren wanneer dit als disciplineringsactie wordt gepresenteerd.

Naar de provincieoptie is in Koninkrijksverband vrijwel geen onderzoek gedaan. Na de Toekomstconferentie van 1993, waar Lubbers en zijn minister Hirsch Ballin hun poging de Koninkrijksrelaties op een geheel nieuwe leest te schoeien zagen mislukken, heeft Nederland deze discussie doelbewust stopgezet. Weliswaar ontlokte de Tweede Kamer Hirsch Ballins opvolger Voorhoeve nog de belofte van een `modellennota'. Toen die af was overtuigde Voorhoeve's opvolger Gijs de Vries een makke Kamer dat het publiceren ervan niet opportuun was. Ik heb de nota eens kunnen inzien en moet zeggen dat deze niet erg diep ging. Intussen heeft de Kamer toen de kans laten lopen een fundamentele discussie aan te gaan.

Wat de zegslieden, die nu voor een provincie-optie ijveren wél zullen weten, is dat elders in de regio het provinciemodel al meer dan een halve eeuw functioneert, namelijk in de Franse Caraïben. Dat zijn inderdaad oases van welvaart en betrekkelijk sterk bestuur in de regio. Maar de letterlijke prijs is hoog: waar in Nederland veelvuldig wordt geklaagd over `ongeevenaard hoge Nederlandse hulp aan de Antillen' draagt Parijs zonder morren een veelvoud daarvan bij aan zijn Caraïbische provincies. (Washington doet overigens hetzelfde bij Puerto Rico.) In zekere zin heeft Parijs de Caraïbische problematiek gewoon afgekocht.

Inmiddels roepen Curaçao en Sint-Maarten al jaren om een `status aparte'. Hier stuiten de Antillianen op dezelfde belemmeringen van het Statuut als hun Haagse tegenspelers: zij kunnen wel van alles willen, maar ook Nederland – en Aruba – moeten het daarmee eens zijn. Minister De Graaf wil niet meewerken aan de desintegratie van de Antillen. Dat is onverstandig.

Allereerst omdat de centrifugale krachten de bestuurbaarheid van het fictieve `land' de Antillen volstrekt ondergraven. Voorts, omdat juist instemmen met een opdeling van de Antillen, Den Haag eindelijk terugbrengt naar de uitgangspunten van de Toekomstconferentie van 1993: een uitruil, waarbij tegenover de Antilliaanse verlangens, inzake wijziging van het formele lidmaatschap van het Koninkrijk, de Haagse verlangens inzake de inhoud van het Statuut staan. Daarbij is de keuze voor uiteenlopende relaties met de verschillende eilanden onvermijdelijk, een aanpak die in het pragmatische Britse beleid in de Caraïben ook goed heeft gewerkt.

Essentieel is dat Nederland helder verwoordt wat het wél en wat het níet aanvaardbaar acht, ook om te voorkomen dat de Antilliaanse politiek haar achterban illusies verkoopt. De Nederlandse inzet in het debat moet zijn dat ruimte wordt gecreëerd voor een uitruil, níet voor botte rekolonisatie. Het is zaak dat Den Haag zélf ideeën ontwikkelt over een ingrijpende hervorming van het Statuut, dat in 2004 een halve eeuw ongewijzigd bestaat in een totaal veranderde context.

Prof.dr. G.J. Oostindie is directeur van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde te Leiden.