Zo zelden de koele blik van een spiegel

Het werk van de Amerikaanse dichteres Sylvia Plath staat sinds haar zelfmoord in de schaduw van de dood. Poëzie was voor haar een, falend, middel tot zelfbehoud. Maar hoe duurzaam is het resultaat daarvan? En waar wordt het klagen larmoyant? Een kritische herwaardering.

Op een ochtend treft iemand op het kiezelpad een mol aan. Even verderop nog een. Ze liggen erbij alsof ze er die nacht neergegooid zijn, afkomstig `uit de voddenzak van het donker'. Kras gezegd. Het lijken wel `weggeworpen handschoenen', ook kras gezegd, afdankers van blauw suède, maar dan wel `blauw suède waarop een hond of een vos heeft gekauwd.' Zijn ze doodgebeten? Het is ook mogelijk dat de twee mollen elkaar naar het leven hebben gestaan: `een blinde tweeling' in tweegevecht gewikkeld geweest, met kwade afloop.

Aan het woord is Sylvia Plath, in haar gedicht `Blauwe mollen'. Ze beschrijft de vondst van een zekere afstand, als in een rapport, in de derde persoon enkelvoud, zodat er bij de lezer ook even een uitgestelde reactie plaatsvindt – net als bij de dichteres op het moment van het vinden. Schok en schrik misschien, maar de verbazing overheerst, zo te zien. Boven de mollen ligt de hemel er open en bloot bij, zonder geheimen. De gele bladeren op de grond bieden ook geen enkele aanwijzing voor verdacht gedrag, of sinister gedoe. `Already the moles look neutral as the stones', stelt de dichteres vast op de plek des onheils: de mollen zijn al helemaal in hun omgeving opgegaan. Zij buigt zich over de twee onopvallende lichamen, ziet `hun kurkentrekkerneus' en `hun opgestoken witte handen', stil en stijf, en verbaast zich er nog eens over dat er van alle woede en geweld van de afgelopen nacht niets meer over is. Opgelost, als `rook van een oude oorlog'.

Dat is het eind van het gedicht, tweemaal negen regels lang. Daar had zij het bij kunnen laten: een scherp en schrijnend rapport van hoe de dood langskomt en schielijk weer verdwijnt, zonder een spoor na te laten. Maar bij Plath volgt er dan nog een tweede deel, van weer tweemaal negen regels, waarin het nuchtere dagverslag een nachtelijke pendant krijgt. Het is een poging tot afdaling in de donkere wereld van de mol en ook een poging tot reconstructie van wat er aan de dood van de blinde tweeling vooraf moet zijn gegaan. Plath stelt zich hun nachtelijke tochten voor: `Ze trekken door hun geluidloze kamers terwijl ik slaap, / aarde omwoelend, snuffelaars op zoek / naar vette nakomelingen van wortel en rots.' Maar naarmate het gedicht vordert lijkt het er steeds meer op dat Plath tegelijk ook haar eigen nachtelijke verkeer beschrijft. Slapen is ook een vorm van gangen graven, woelen in duisternis, blind zoeken in het geheugen. En misschien speelt er bij al dat mollige snuffelen en `graven naar aanhangsels van kevers, zwezeriken, schildvleugels' en verlangen naar verzadiging ook wel een erotische droom mee, maar die blijft dan, net als het leven van de mollen, vluchtig en zonder vervulling. Geen bevrediging, geen redding, geen zinvol verband bij het ontwaken. Zo besluit Plath haar gedicht: `Wat er gebeurt tussen ons / gebeurt in donkerte, vervlucht vanzelf / en zo vaak als elke ademtocht.' Een weinig bemoedigend slot: alles is ijdel, alles is vluchtig, en we staan er na afloop met lege handen naar te kijken.

Het patroon van dit mollengedicht is bij Plath vaker terug te vinden. Misschien zou je bij haar zelfs wel van een mollenperspectief mogen spreken. Er is in haar gedichten vaak een boven- en een onderwereld, een dag- en een nachtzijde, een heldere aanblik en een verwarrende onderstroom. Vaak vinden haar gedichten hun aanleiding in de natuur, maar vaak leidt die natuuringang ook tot een driftig gegraaf in de donkere lagen van de ziel, de droom, het onderbewuste en de onbekende wereld van vrees en verlangen. En vaak worden de zaken, net als in het mollengedicht, bezien door de bril van de dood.

Neem `De vrouw van de dierenoppasser'. Daarin krijgt de leuke baan van dierenverzorger in een dierentuin een heel ander aanzien als zijn vrouw erover mag vertellen. Zij heeft van haar man een rondleiding gekregen en is blijkbaar zo geschrokken van alles wat ze te zien heeft gekregen en meegemaakt, inclusief de vreemde seksuele opdringerigheden van haar man zelf tijdens het voederen van de dieren, dat ze er niet meer van kan slapen. Wat wij te lezen krijgen is een woest mengsel van snuivende wilde dieren, de moeraslucht uit de bek van een neushoorn, slachtafval, harige spinnen, geuren en driften, slakken, bavianenoorsmeer, voedseltabellen en zo meer – en daarbij ook nog eens toespelingen op de tuin van Eden en de ark van Noach, en een bijbehorend sterk besef van zonde. Genoeg voor minstens één nacht slapeloosheid, ja.Foto

Is dit nu alleen maar een wilde fantasie? Of Plaths portret van haar eigen man, of van man en vrouw in het algemeen? Een symbolische uitvergroting van allerlei oerangsten? Wijst het op een zekere verlustiging in lagere driften? Of wil het misschien ook wel geestig zijn? Het is, zoals wel vaker bij Plath, moeilijk te zeggen, en het hangt, zoals altijd, ook sterk van de lezer af. Dat verklaart ook wel waarom Plaths werk in de loop der tijden (haar eerste bundel verscheen in 1960) op zoveel verschillende manieren gelezen is: van seksueel tot sociologisch, van feministisch tot freudiaans, en van politiek tot psychiatrisch. De sfeer van Plaths gedichten is de sfeer van eenzaamheid, verwarring, onrust, een zenuwlijder op de rand van de ineenstorting. Het gevaar dat haar poëzie voortdurend bedreigt, is de larmoyante toon, het klagen over eenzaamheden, het vastlopen in leegte en in het herhalen van de meest desolate waarnemingen.

Dat gevaar wordt in toom gehouden door het opmerkelijke feit dat haar poëzie bij al die psychische bedreigingen toch verankerd blijft in de werkelijkheid. Hoe zwartgallig en desolaat soms ook in het geestelijke, op het punt in stukken uiteen te vallen, toch blijven de aanleiding en het decor alledaags en herkenbaar: ziekenhuis, dierentuin, tuinpad. Daarbij komt een altijd moeilijk te omschrijven iets als een eigen toon, een eigen houding tegenover de werkelijkheid: een ferm en scherp en persoonlijk spreken en redeneren en afwegen, zonder al te veel schaamte, maar ook zonder zichzelf te ontzien. Hier staat iets op het spel, dat is meteen wel duidelijk. Hier staat iemand te wankelen, dat voel je ook meteen. Hier zoekt iemand ruimte om te ademen, in regels en in gedichten – omdat die ruimte er in de dagelijkse werkelijkheid al haast niet meer is. Poëzie als bezweerder van angst en gevaar, als een middel tot zelfbehoud – geen vrijblijvend gebabbel. De poëzie van Plath zou je dus therapiepoëzie kunnen noemen, al heeft die term geen al te gunstige bijklank, en al tref je onder die noemer meestal niet zulke sterke en verrassende beeldspraak aan als bij Plath.

Plath is bekend geworden met een reeks gedichten over bijen. Haar vader, overleden toen zij acht was, hield bijen. Er is niet al te veel psychologisch inzicht voor nodig om in te zien dat Plath haar hele leven op zoek is geweest naar haar vader. In het op latere leeftijd houden van bijen moet zij geprobeerd hebben haar vader terug te vinden. Het heeft enkele van haar mooiste gedichten opgeleverd. Door de beschrijving van de bijen zelf en van hun mysterieuze wereld, met koninginnen en werksters en volken en nijvere honingproductie. Maar ook door al het geheimzinnige imkergedoe eromheen, met pakken en maskers, sluiers en handschoenen, poeder en rook – en door de opname, bijna een initiatie, in de kring van bijenhouders.

Daarbij komen dan ook vaak nog, behalve het motief van de Vatersuche toespelingen op vruchtbaarheidsmythen, het opgaan in de seizoenen en het deelhebben aan een oud natuurverbond. En vaak hangt er dan ook nog, door allerlei zoete kleef-, zuig- en penetratiebewegingen die nu eenmaal bij de imkerij horen, een wolk van erotiek omheen. Het is allemaal aanwezig in bijvoorbeeld `De dochter van de bijenkweker', waar de dochter in `een tuin van smulmonden', tussen `grote purperen, vuurrood-bespikkelde en zwarte bloemkronen', muskusgeur en `reuksporen die naar adem doen snakken' verlangend kijkt naar haar vader: `Als een priester in je herenjas, meester van de bijen, / loop je tussen de vele boezems van bijenkorven // en treed je op mijn hart.' Er is een suggestie van incest, van moederhaat, van verdrijving uit het paradijs, van een sprookjeshuwelijk, straks, tussen deze meester van de bijen en de bijenkoningin.

Een vol gedicht, en een gewaagd geheel, op het gênante af, maar dat hoort nu eenmaal bij de poëzie die Plath in navolging van Robert Lowell en Anne Sexton wilde schrijven: persoonlijke bekentenispoëzie. Plath is zich bewust van haar Electra-complex en wil er in poëzie over schrijven (in `Electra op de Azaleaweg'). Het lijkt erop alsof ze daar niet alleen haar liefde voor haar vader wil verklaren, maar zich ook, via een duistere gedachtekronkelredenering, schuldig wil verklaren aan zijn vroege dood. Na twintig jaar zoekt zij zijn graf op om daar te verklaren dat zij de `teef, dochter, vriendin' was die de vader heeft doen sterven. Zij wil ook niet geloven dat hij aan gangreen is overleden, zoals gezegd wordt. Het was zelfmoord, volgens haar, en `het was mijn liefde die ons beiden heeft omgebracht'. We moeten aannemen dat het Electra is die hier spreekt, maar het gegeven nadert de biografie en de geestesgesteldheid van Plath zelf wel erg dicht.

Elders schrijft zij, als zij zich tot haar dode vader richt: `Ik overleef intussen'. De woordkeus is veelzeggend: na zijn dood heeft zij niet een nieuw leven kunnen beginnen, of gewoon kunnen doorleven, maar is zij begonnen hem (`intussen') te overleven – om de tijd die haar nog rest tot het weerzien maar een beetje stuk te slaan. Het is een van de plekken waar zich een groot vadercomplex openbaart, dat bovendien via allerlei geestelijke dwaalwegen verbonden moet worden met schuldgevoel, zelfverloochening, zelfverlaging, zelfhaat, verlangen naar zelfmoord – tot aan het daadwerkelijk uitspreken ervan, dreigen ermee, toegeven eraan. Of deze zelfmoordwenFotos echt verband houdt met het missen van de vader zouden ter zake kundigen moeten vaststellen. Duidelijk is wel dat het hier om een obsessie gaat, die op allerlei manieren terugkomt, in beelden en tussenzinnen, en die vermoedelijk sterker is dan de dichteres zelf. Poëzie wordt dan een psychiatrisch document, verbeelding wordt dwanggedachte, rake vondst wordt trauma – en de lezer begint zich gaandeweg wat onthand te voelen en te verlangen naar verwijsbriefjes.

Met de wetenschap van het einde is het moeilijk de poëzie van Plath nog onbevangen te lezen. Op 11 februari 1963, op 30-jarige leeftijd, pleegde Plath in haar Londense woning zelfmoord. Zij zette brood en melk klaar bij de bedjes van haar slapende kinderen Frieda (2 jaar) en Nicholas (1 jaar), deed het raam open, stopte de kieren van hun slaapkamerdeur dicht, en draaide een verdieping lager de gaskraan open en legde haar hoofd in de oven. Nog dezelfde ochtend werd ze dood gevonden.

Al haar werk werd en wordt geplaatst tegen de achtergrond van deze uitkomst, en alles wordt dan voorbode, voorafschaduwing, voorspelling ervan. Moeilijk is het niet, om dit doodsverlangen op het spoor te komen. Het zit in kleine zinnen (`Eeuwigheid verveelt me, / ik verlangde er nimmer naar') en het zit in grote gedichten, zoals het gruwelijke `Lady Lazarus', waarin zij zich voorstelt als de kermisattractie die één keer in de tien jaar zelfmoord pleegt en dan, komt dat zien, net als Lazarus, weer uit de dood weet op te staan. Het is pijnlijk om te lezen. Is dit nog poëzie, of een exhibitionistische strapats van een patiënt? Gedicht of noodkreet? Bestemd voor een onbekende lezer, of voor de dokter, of alleen maar voor haar man Ted Hughes die er toen met een ander vandoor was? En, als deze vragen gesteld gaan worden, doet het er dan nog toe wat we ervan vinden? Veel gedichten van Plath zijn pas na haar dood voor het eerst verschenen en hebben om zo te zggen nooit een eigen leven gehad; ze zijn van meet af aan gelezen als psychiatrisch document, onderdeel van biografische debatten of als bewijsstuk in de schuldvraagstrijd. Ik weet niet of dat erg is. Het hoort nu eenmaal bij deze soort poëzie, de bekentenispoëzie,zoals er ook vanzelf een zeker gevoel van gedateerdheid bij hoort. De particuliere noodkreet verliest iets van zijn urgentie als hij inmiddels al meer dan veertig jaar geleden geslaakt is en als eventueel te bieden noodhulp nu ook al weer meer dan veertig jaar te laat komt.

Ik las de poëzie van Plath in een nieuwe, pas verschenen vertaling, en hield er dus wat licht gemengde gevoelens aan over. Omdat een deel van deze veertig lange gedichten mij toch meer therapie dan poëzie leek. Omdat een deel mij toch ook ronduit te vaag en te klagerig was, met uithalen als `ik moet krijsen' en `ik word bewoond door een schreeuw'. Omdat de vertaling, van Lucienne Stassaert, niet al te best was – om het zo maar even kort samen te vatten. Plath verscheen hier in omslachtig, hobbelend, kleurloos, prozaïsch Nederlands. Te weinig eigen stijl, te veel leunen tegen het Engelse origineel. `Alzo een pauze heiligend / die anders van geen tel is', dat soort zinnen. `Nobility' wordt edelheid, `ivory' ivorig en `everybodys attention' iedereens aandacht. Iemand gaat `met wat geluk [...] toch een soort van inhoud opzetten' en elders golft `de illusie van een Griekse noodwendigheid / in de voluten van haar toga'. Enzovoort. Het nawoord, ook van Stassaert, is uitvoerig en verhelderend, maar geeft vooral een volledig aan de biografie opgehangen beeld van de dichteres: van de driejarige Sylvia die met haar vader gaat zwemmen in de baai bij Whintrop tot en met de laatste fatale ochtend van 11 februari 1963.

Blijkbaar verlang ik naar dichters die ook zonder nawoorden zijn te lezen, los van hun particuliere persoon en ziektegeschiedenis, en los van de tijd waarin ze leefden en schreven. Van de hier vertaalde gedichten lijkt mij minstens de helft nog steeds op eigen benen te kunnen staan. Daartoe behoort bijvoorbeeld het zelden geciteerde `Mirror', uit de postume bundel Crossing the water. Daarin is een spiegel aan het woord, in een kalme monoloog van tweemaal negen regels. Tijdloos gegeven, bijna klassiek van toon. `Ik ben van zilver en uiterst precies' zegt de spiegel. `Ik heb geen vooroordelen.' Nauwgezet slaat hij, `het oog van een kleine god', het leven gade en laat als een meer alle waarnemingen in zich verzinken. Dit is een van de weinige gedichten waarin Plath niet namens en voor en over zichzelf spreekt, maar via een omweg, door de koele blik van een rimpelloze spiegel. Hij ziet elke dag een vrouw, met tranen soms, en met onrustige handgebaren. `Ik beteken veel voor haar. Zij komt en gaat. / Iedere morgen vervangt haar gezicht de duisternis.' En het is niet Plath zelf, maar de spiegel aan de wand die ons kan vertellen hoe deze vrouw er aan toe is. `In mij heeft ze een jong meisje verdronken, en in mij / komt dag aan dag een oude vrouw boven water, als een vreselijke vis.'

Sylvia Plath: Zie, de duisternis lekt uit de scheuren. Een keuze uit de gedichten. Vertaald door Lucienne Stassaert. Wagner & Van Santen. 208 blz. €27,50