Zo konden we niet doorgaan

Vorig jaar werd het vierhonderdjarig bestaan van de Verenigde Oost-Indische Compagnie herdacht met tentoonstellingen, boeken en themanummers van tijdschriften. Er vielen weinig onvertogen woorden en goedbeschouwd wekt dat bevreemding, want een handelsimperium opbouwen van een dergelijke omvang door een betrekkelijk klein aantal avonturiers en soldaten, en later door ambtenaren, kan niet zonder bloedvergieten, dwang en militair optreden. Met zijn boek Het angstzweet der kolonialen plaatst schrijver en historicus Nico Dros ernstige vraagtekens bij de Nederlandse bemoeienissen met Indië en de uiteindelijke heerschappij over het eilandenrijk tussen 1830 en 1942.

De titel die Dros kiest voor zijn boek is veelzeggend. De Nederlanders en in ruimere betekenis tal van Europeanen – de `blanken'– leefden in het voormalige Indië niet van tempo doeloe alleen. Het was ook een harde tijd. Aan de hand van De stille kracht (1900) van Louis Couperus schetst Dros hoe geheimzinnige krachten, zoals een dagen aanhoudende regen van stenen uit de hemel, de koloniale bewindvoerders en hun gezinnen in de greep hielden. Een verschijnsel als de stenenregen is onverklaarbaar en juist die onverklaarbaarheid maakte de blanke in de tropen bang.

Dros diept uit het toch al uitputtend beschreven koloniale verleden enkele waardevolle onderwerpen op. De historicus en de romancier vinden elkaar in de bloedstollend beschreven massamoord van de VOC-soldaten op de Chinezen in 1740 in Batavia. Het is een etnische zuivering die haar weerga niet kent en het is goed dit hoofdstuk in het volle licht te plaatsen. Ook de studies over Multatuli en het Cultuurstelsel, de in het duister gehulde moord op de gefortuneerde Leonard Born in Semarang in 1934 waarover Rob Nieuwenhuys ooit een roman wilde schrijven die er nooit is gekomen, en die over de aristocratische Javaanse prinses Kartini zijn verhelderend. Dros documenteert zich uitvoerig en haalt vooral uit de Indische pers en uit koloniale archieven interessante bronnen aan. Zijn essay over de inheemse arbeid als koloniaal vraagstuk getuigt van gedegen kennis en visie. Overtuigend bewijst Dros het gelijk van de inlandse bevolking de padi, rijst, niet te snijden met een zeis of zelfs machinaal, maar met een klein mesje. Dat mesje geeft recht op arbeid, inkomsten en verzekert degene die oogst van een plaats in de dorpsgemeenschap.

Ondanks de stevige standpunten die Dros inneemt, blijft onduidelijk wat nu de werkelijke bedoeling van deze bundeling studies is. De Nederlander komt er bekaaid af als een op geld beluste koopman of een bloeddorstige militair. Dros staat niet alleen in de weergave van de schaduwkant van het kolonialisme, hoe graag hij dat de lezer ook laat geloven. Daarmee doet hij tal van kritische schrijvers van toen en van nu onrecht. De mooiste hoofdstukken zijn dan ook niet die geschreven zijn als met een opgeheven vinger naar die nare, angstige kolonialen, maar waarin Dros met kennis van zaken uiteenzet hoe een verboden liefde in de begintijd van het koloniale bewind opbloeide en op welke manier Nederlandse romanciers het terra incognita van de inheemse koloniale wereld in beeld brachten.

Nico Dros: Het angstzweet der kolonialen.

Van Oorschot, 211 blz. €17,50

    • Kester Freriks