Rijken hebben helemáál geen makkelijk leven

De rijkaard is een aparte soort, vindt wetenschapsschrijver Richard Conniff. De homo sapiens pecuniosus heeft een eigen taal, eigen gedragscodes en eigen gewoontes. Rijken zijn bang voor de gewone mens die jaloers op hen is, dus trekken ze naar elkaar toe.

Multimiljonair Steve Fossett overleefde in 1998 ternauwernood een ballonvaart rond de wereld toen hij van ruim een kilometer hoogte in de oceaan stortte. Dennis Tito legde 20 miljoen dollar op tafel om de ruimte in geschoten te worden in een Russische raket. En koning Fahd van Saoedi-Arabië bezit slaapkamers in alle paleizen en jachten van alle Saoedische prinsen; vertrekken die in een hotel pakweg 2500 dollar per nacht zouden kosten. De meeste van die kamers heeft de bejaarde koning nog nooit gezien.

Rijken hebben helemaal geen makkelijk leven. Voortdurend dienen ze te bewijzen dat ze anders zijn dan anderen. Zo niet, dan verworden ze tot normale mensen. Daar komt nog bij dat ze in een sociaal isolement verkeren, worden nagewezen door hun minder gefortuneerde soortgenoten, bedrogen worden door `vrienden' en moeten voldoen aan torenhoge verwachtingen van familie en maatschappij.

Ondanks al die ongemakken doen rijken er alles aan om hun positie te handhaven: ze zoeken elkaar op in St. Moritz, Monaco en Palm Beach en betreden daarmee een wereld met een eigen taal, eigen gedragscodes en eigen gewoontes: die van de homo sapiens pecuniosus. Een soort die genetisch gelijk is aan de gewone homo sapiens, maar verder een volstrekt afwijkend gedrag vertoont, gekenmerkt door extravagantie en extremiteit.

Dat rijken zich isoleren, heeft verscheidene redenen, schrijft Richard Conniff in zijn boek The Natural History of the Rich. Ze zijn bang voor de gewone mens die jaloers is en hen beschimpt. Alleen temidden van de eigen soort voelen ze zich veilig. Om zich zo min mogelijk in de gewone-mensenwereld te hoeven begeven, hebben ze huisbioscopen, topkoks aan huis en eigen zwembaden. ,,The whole idea was never to have to go out'', vertelde een rijke aan Conniff, die tal van miljonairs, al dan niet anoniem, interviewde voor zijn studie. Hij bezocht onder meer een huis in aanbouw ten zuiden van Los Angeles dat een inpandige autodealer, een juwelier, een theater, een koffieshop en een bowlingcentrum zou krijgen. Een van de buurvilla's had een eigen pizzeria.

Conniff, van huis uit bioloog en wetenschapper, schreef eerder over ratten en ongewervelde dieren. In zijn eerste boek over menselijk gedrag bekijkt hij de wereld van de rijken als een anthropoloog. Vandaar ook de ondertitel: a field guide. Wat maakt de rijke tot zo'n speciale soort? Wat zorgt ervoor dat rijkdom vaak generatie op generatie in stand blijft? Waarom zoeken rijken elkaar op in Aspen, Gstaad en aan de Côte d'Azur? Op geestige en meestal aannemelijke wijze zoekt hij antwoord op die vragen.

Een van de drijfveren achter zijn studie is dat welbeschouwd velen van ons afstammen van rijken. De veertiende-eeuwse Engelse koning Edward III bijvoorbeeld had twaalf kinderen, wat hem zo'n twee miljoen nakomelingen oplevert in het hedendaagse Groot-Brittannië.

Opvallend is, noteert Conniff, die zich met name richtte op de categorie `5 miljoen euro en meer', dat vrijwel alle rijken die hij sprak, zichzelf helemaal niet rijk vinden. Zij vinden mensen met 10 miljoen euro pas rijk, die op hun beurt mensen vanaf 25 miljoen als rijk beschouwen etc. Een bijna-biljonair (970 miljoen euro) verzuchtte eens: ,,Dan zie je die kerels met 3 of 4 miljard en dan denk je: wat heb ik fout gedaan?'' Volgens Conniff trekken rijken naar elkaar toe omdat mede-rijken de enigen zijn die niet opkijken van die rijkdom. ,,Alle andere mensen zien aan mij meteen een prijskaartje hangen'', klaagde een miljonair.

Talrijk zijn de sappige, vaak wat voorspelbare verhalen over de superrijken. Zoals over het echtpaar Kozeny uit Tsjechoslowakije dat rijk werd met het opkopen van privatiseringsvouchers van voormalige staatsbedrijven. Ze hebben nu huizen in Londen (25 miljoen dollar), in Aspen (20 miljoen dollar) en op de Bahamas (waar alleen het zwembad al 14 miljoen dollar kost). De Kozeny's schrikken er niet voor terug om een avondje in Londen te dineren à 21.000 dollar. Het verhaal wil dat Kozeny daarbij een fles Romanée Conti 1985 bestelde (8300 dollar), maar deze na één glas aan het keukenpersoneel gaf om op te drinken omdat hij de wijn te jong vond.

Uitspattingen als deze en het extravangante feestje dat de Kozeny's in Aspen gaven bij wijze van housewarming dienen ter rolbevestiging, meent Conniff. Daarmee stellen ze hun plaats in de sociale elite veilig. Maar feestjes dienen ook om de gasten te verplichten iets terug te doen: een investering, een introductie.

Apen doen precies hetzelfde: voor dominante apen is het vergaren van voedsel en dat delen met de rest van de groep een manier om status te winnen en te behouden. Ook de aap kijkt daarbij wel degelijk met wie hij zijn eten deelt: niet met machtiger rivalen, maar met vrouwtjes, invloedrijke andere mannetjes en het `middenkader'. Maar niet met onbeduidende jongeren.

Dit delen dient nog een ander doel, als we Conniff mogen geloven: succesvolle jagers in primitieve culturen in Latijns-Amerika hebben vaker seks buiten het huwelijk. De vraag is: is dat om de succesvolle jager te stimuleren bij de groep te blijven of maakt zijn neiging tot delen hem aantrekkelijker?

Delen is een vorm van vriendelijke dominantie, volgens Conniff. Het idee daarachter: hoe meer goed ik doe, hoe meer er binnen komt. Dat is ook het belangrijkste idee achter geven aan goede doelen bij de rijken, aldus Conniff. Volgens de meeste rijke gevers verdienen giften zich dubbel en dwars terug, in de vorm van de gunst van het publiek, de juiste contacten of investeringen. Goedgevendheid is een vorm van adverteren voor jezelf, volgens de auteur. Als het niet rendabel was, deed men het niet. Dat rendement hoeft niet per se financieel te zijn: Jean Paul Getty bijvoorbeeld deed in olie en Guggenheim in staal. Maar beide heren zijn bekender door de musea die zij stichtten dan door hun zakelijke imperia.

Gulheid maakt de rijke bovendien aantrekkelijker: gul en rijk is beter dan alleen maar rijk. Toen Ted Turner zijn vrouw vertelde dat hij 1 miljard dollar had overgemaakt aan de Verenigde Naties, barsttte ze in tranen uit en riep: `I'm so proud to be married with you. I never felt better in my life!' (wat niet verhinderde dat ze korte tijd later scheidden). Goedgevendheid maakt de gever net een beetje beter dan zijn mede-rijke.

Bovendien is vriendelijke dominantie minder riskant dan onvriendelijke. Met zijn gift van 1 miljard dollar, de grootste ooit gedaan door een nog levende persoon, kon Ted Turner zich pas ècht onderscheiden van zijn grote rivaal Randolph Hearst met wie hij in de clinch lag. Bill Gates trok een jaar later eenzelfde bedrag uit voor beurzen voor studenten.

Rijken voelen zich beter door de aandacht van ondergeschikten, blijkt uit studie. Bij een hoofdaap die enkele dagen door een spiegelwand werd gescheiden van zijn groep, waarbij hij wel de andere apen zag, maar zij hem niet, daalde het serotoninepeil, een neurotransmitter die ontspant.

Conniff debiteert enkele gewaagde theorieën, bijvoorbeeld dat de landbouw tot ontwikkeling zou zijn gekomen om meer gevarieerd voedsel te kweken voor feesten van welgestelden. Daarmee heeft hij naar eigen zeggen meteen de oerreden voor de grote huizen van de rijken te pakken: ze moesten vroeger wel in grote huizen wonen, omdat hun rijkdom bestond uit `goederen' die opgeslagen moesten worden, variërend van graan tot vrouwen.

De zeventien badkamers en garages voor tien auto's die tegenwoordig heel gewoon zijn in de huizen van de rijken, dienen niet meer om voorraden op te slaan, maar wel om te imponeren, te domineren. In het boek komen tal van aspecten van macht en dominantie aan de orde: van toonhoogtes in een gesprek tot dominantie via lichaamshouding, aandacht en extreem gevaarlijk gedrag. Richard Branson die een trouwjurk aantrekt en de voorpagina's haalt, Steve Fossett die zijn leven riskeert in een luchtballon, Carlos Menem die ex-Miss World van ruim dertig jaar jonger zwanger maakt: allemaal imponeergedrag, veel gekker kan het namelijk niet.

Rijke vrouwen imponeren vaak door hun kleding (tijgerprints, slangen- en krokodillenleer), rijke mannen zijn vaak erg bezig met `wie de grootste heeft': de hoogste mast op een jacht, de hoogste wolkenkrabber. Volgens Conniff is dat een restant van gedrag uit de oertijd toen de mens nog naakt was en mannen indruk trachtten te maken op vrouwen door hun penis te tonen.

Wat imponeergedrag echter volslagen idioot lijkt te maken, is het feit dat er enorm veel tijd mee gemoeid is. Anders gezegd: tijd die de rijke dus niet met iemand in bed kan doorbrengen om nageslacht te produceren. Maar daar zit `m nu juist de crux: rijken krijgen minder kinderen dan de minder gefortuneerde medemens. Dat heeft een duidelijke reden: het legale nageslacht dient beperkt te blijven om het geslacht niet te laten verarmen.

Ook officieus nageslacht in de vorm van onwettige kinderen komt steeds minder voor doordat de rijke tegenwoordig een beetje op zijn tellen moet passen. Geflikflooi met dienstbodes leidt alleen nog maar tot dure rechtszaken, en DNA-onderzoek heeft het er niet makkelijker op gemaakt voor de rijke. Dat heeft tot gevolg dat de Britse aristocratie, als het in dit tempo doorgaat, omstreeks 2175 de laatste adem uitblaast: per jaar verdwijnen er vier tot vijf adellijke namen en nieuwe komen er niet meer bij.

Wat het voor rijken lastig maakt om elkaar te herkennen, is dat ze geen standaard uiterlijke kenmerken hebben, zoals dieren. En als er wel kenmerken zijn, dan wisselen die al naar gelang de mode. Zo was dik zijn lange tijd `in' onder rijken en in feite bestaat het als statussymbool nog steeds, aldus Conniff: Amerikaanse meisjes krijgen als eindexamencadeau nogal eens een borstvergrotende operatie ten einde meer aandacht van mannen op zich te vestigen, en jongens een (dikke) auto.

Dat de uiterlijke kenmerken van rijken vaak wisselen, is pure noodzaak, volgens Conniff: ze worden voortdurend geïmiteerd door de middenklasse. Dat verklaart ook deels de overdrijving van de rijken: ze móeten wel, anders doet iedereen het en gaan ze op `de anderen' lijken.

Die extravagantie bepaalt deels de sexuele aantrekingskracht van rijken. Zoals de dierenwereld werkt met geuren, kleuren en imponerend gedrag, zo hangen rijken een Van Gogh aan de muur of laten ze Michael Jackson opdraven voor een concert op hun vijftigste verjaardag. Zou een Van Gogh maar een paar honderd euro kosten, dan hoefde niemand `m. Dat rijkdom belangrijk is om te imponeren, blijkt ook uit de woorden die Aristoteles Onassis ooit sprak: ,,Als er geen vrouwen bestonden, had al het geld in de wereld geen enkele betekenis.''

The Natural History of the Rich: A Field Guide, door Richard Conniff, uitg. William Heinemann, Londen, 344 blz., £16,99.