Noord-Korea niet gebaat bij intimidatie Washington lijkt allengs voor rede vatbaar te worden

De eerste schrede van de Amerikaanse regering in de richting van de Noordkoreaanse leider Kim Jong Il is gezet kort nadat William J. Perry een doemscenario had ontvouwd in de hernieuwde atoomcrisis rondom het laatste communistische bastion. In een beschouwing die ook in deze krant is verschenen beschreef president Clintons voormalige minister van Defensie waartoe een op `regime change' in Pyongyang afgestemd beleid zou kunnen leiden. Perry schreef waarschuwend: ,,Militair ingrijpen om een tijdige machtswisseling af te dwingen leidt misschien wel tot eenzelfde conflict als de eerste Korea-oorlog, met wereldschokkende aantallen slachtoffers.''

De ex-bewindsman had zijn redenen om in een tour d'horizon van mogelijke opties dit doemscenario niet over te slaan. Hij had eens zelf in de kristallen bol gekeken. Kort na het aantreden van de regering-Clinton had Noord-Korea ook al de eerder per verdrag aanvaarde internationale inspecteurs buiten de deur gezet om ongestoord verder te gaan met de opwerking van materiaal voor de productie van kernwapens. Perry: ,,Clinton beschouwde deze opwerking als gevaarlijk genoeg om van een `rode streep' te spreken. Bij wijze van antwoord liet ik de legerleiding een plan opstellen om zonodig met militair geweld te beletten dat het zover kwam.''

Sommige kabinetsleden en adviseurs van de regering-Bush sturen aan op de vervanging van het regime in Pyongyang. Maar de verhoudingen op het Koreaanse schiereiland zijn niet te vergelijken met de toestand in Afghanistan of in Irak. De hoofdstad van Zuid-Korea, Seoel, ligt binnen het bereik van zware Noordkoreaanse artillerie waarmee zij een vuistpand is in handen van de vijand als Amerika, naar de voorbeelden uit het Midden-Oosten, zou overgaan tot gewapende interventie om zijn doel te bereiken. Waar van de Talibaan en Saddam in een regelrechte militaire confrontatie weinig viel te duchten, daar liggen de zaken aan de Koreaanse bestandslijn geheel anders.

Ondanks deze situatie heeft de regering-Bush aanvankelijk ingezet op een politiek van intimidatie. De vorige president van Zuid-Korea, Kim Dae Jung, de man die het zogenoemde zonneschijnoffensief was begonnen met het doel de relaties met het Noorden te normaliseren, werd, op bezoek in Washington, door Bush tot de orde geroepen en ten overstaan van de publieke opinie geschoffeerd. Het zonneschijnoffensief had teveel kenmerken van het tijdperk-Clinton om voor de nieuwe president aanvaardbaar te zijn. Met de opneming van Noord-Korea in het beruchte rijtje van drie `rogue states' in het presidentiële State of the Union Adress werden de bakens van de Amerikaanse Korea-politiek definitief verzet.

Of toch niet? De laatste tijd zijn er signalen dat Washington voor rede vatbaar is. Al langer wordt meer onderscheid gemaakt tussen het genoemde trio landen onderling, dan uit de karakteristiek van Bush viel op te maken. Vanaf het moment vorig jaar oktober, dat Pyongyang tegenover een Amerikaanse diplomaat toegaf dat het aan een geheim atoomwapenproject werkte, werden een paar sancties aangescherpt, maar er was geen sprake van het opvoeren van de internationale spanning zoals dat bijvoorbeeld tegenover Saddam het geval was. Toen Noord-Korea bilaterale onderhandelingen met uitsluitend de Verenigde Staten aanbood, gingen de Amerikaanse tegenvoorwaarden niet verder dan dat het Noorden eerst zijn project moest beëindigen en dat onderhandelingen in een multilateraal kader moesten worden gevat. Het gangbare Amerikaanse unilateralisme had in de kwestie-Korea kennelijk zijn grenzen spoedig bereikt.

Het gaat vooralsnog te ver om te veronderstellen dat de bakens straks weer op hun oude plaats te zien zullen zijn. Maar Washington sluit de laatste tijd niet uit dat, binnen een multilaterale opzet, ruimte zou kunnen ontstaan voor tweezijdige contacten. Vorige week bleek bovendien minister Colin Powell bereid om al een enkel kenmerk aan te geven dat via een dergelijk meervoudig/tweezijdig contact bestanddeel van een uiteindelijke overeenstemming zou kunnen worden. De bewindsman sprak van een `veiligheidsgarantie' die Amerika in komende onderhandelingen Noord-Korea zou kunnen aanbieden. Mogelijk heeft ook Powell inmiddels in de kristallen bol gekeken waaraan Perry zijn alarmerende opmerkingen ontleende.

Powell heeft hiermee geen losse opmerking geplaatst. Dat kan worden afgeleid uit zijn eerdere uitlatingen waarmee hij de Republikeinse garde in het Congres leek te willen neutraliseren. Met een ,,We doen niet aan niet-aanvalsverdragen'', had de bewindsman bij voorbaat een manier gezocht om zijn idee uit de maalstroom van het politieke Washington te houden. Een verdrag immers moet ter goedkeuring aan de Senaat worden voorgelegd. Er zijn manieren, meent Powell nu, ,,waarop het Congres kennis kan nemen van zo'n document, zulke zwart-op-wit gestelde verzekeringen, zonder dat het een verdrag wordt''. De context van zijn opmerkingen scherpte de bewindsman nog verder aan door China openlijk alle eer te gunnen voor het bewerken van het Noordkoreaanse regime om het tot multilaterale onderhandelingen te laten komen.

Het gaat nu om intenties en vertrouwen. Perry is ervan overtuigd dat Noord-Korea serieus het bezit van kernwapens nastreeft. Meer variatie is mogelijk bij het beantwoorden van de vraag waarom dat zo is. Uit defensieve overwegingen misschien: het lot van de Talibaan en Saddam zou het Noordkoreaanse streven naar afschrikwekkende macht kunnen hebben bevorderd. Opportunistische overwegingen zijn eveneens denkbaar. Pyongyang zou zijn kennis op het gebied van raketten en atoomwapens te gelde willen maken. Daarover bestaan hardnekkige vermoedens. Tenslotte de status van het regime. Hoe abominabel zijn reputatie is, als kernwapenstaat stijgt het land in de pikorde van de machtsverhoudingen.

Als we Powells woorden als richtsnoer nemen, ontstaat zicht op een betere afloop dan in Perry's doemscenario werd voorzien. De antagonisten bewegen zich, met medewerking van Noord-Korea's buurlanden, naar elkaar toe. Beide hebben een eerste tekening getoond van wat een blauwdruk zou kunnen worden van een vergelijk. Dat op zichzelf is meer dan president Bush in zijn State of the Union-boodschap beloofde.

J.H. Sampiemon is oud-redacteur van NRC Handelsblad.