Kijk wat bij ons mogelijk is

DDR-kunstenaars maakten staatskunst of ze ontvluchtten hun land. Of ze maakten in stilte wat ze wilden. Vooral het werk van die laatste groep is nu te zien in Berlijn. Niet iets om vrolijk van te worden.

In de jaren zeventig onderhield Robert Rehfeldt, woonachtig in Oost-Berlijn, een levendige correspondentie met kunstenaars en kennissen buiten de DDR. Vanuit Berlijn-Pankow verstuurde hij kleine collages op briefomslagen de wereld in. Met korte teksten tartte hij dan de socialistische bureaucraten. In 1979 stempelde hij in schreefloze kapitalen op de achterkant van een blauwgroene enveloppe: ,,KUNST IST WENN MAN SIE TROTZDEM MACHT''.

Kunst ondanks de dictatuur. Ondanks de censuur, ondanks het geldgebrek, ondanks de verklikkers in eigen kring en een alomtegenwoordige geheime dienst. Kunst ondanks door het regime gedicteerde voorschriften voor vorm en inhoud. Kunst ondanks repressie. Kunst, kortom, ondanks alles wat kunst eigenlijk in de weg staat.

Wat kunstenaars vermogen in een vijandige omgeving met een minimum aan vrijheid is deze zomer te zien op de overzichtstentoonstelling `Kunst in der DDR'.

De retrospectieve verbluft al meteen door zijn omvang. De imposante Neue Nationalgalerie van Mies van der Rohe werd volledig ontruimd om plaats te bieden aan bijna vierhonderd werken van 135 kunstenaars. Kan een inmiddels vervlogen dictatuur, die slechts veertig jaar standhield, een kunsttempel met kwaliteit vullen?

De curatoren pretenderen in elk geval een selectie te tonen van blijvende waarde. ,,We wilden het geldige, het voor ons blijvende, uit de erfenis van veertig jaar DDR presenteren'', zegt mede-curator Roland März. ,,Niveau en kwaliteit stonden voorop.'' März was vroeger curator bij Nationalgalerie Ost en kent de uitdaging die Rehfeldt formuleerde uit eigen ervaring. März moest kunst aanschaffen die de partij welgevallig was en hij probeerde tegelijk afstand te houden tot het regime.

Twee typen kunstenaars uit de DDR verwierven wereldfaam. Op de eerste plaats waren er de regimegetrouwen die zich overgaven aan het door de partij in de beginjaren verlangde socialistisch realisme. Hun glorieuze taferelen met gespierde arbeiders werken nu vooral op de lachspieren: aandoenlijke propaganda voor een mislukt experiment. Het werk van Walter Womacka, zoals het glas-in-lood met Karl Liebknecht en Rosa Luxemburg in het Staatsratsgebäude in Berlijn, is uitgegroeid tot een embleem dat eeuwig aan de DDR zal herinneren. Maar Womacka kwam niet door de keuring. März: ,,Het is slechte kunst, verschrikkelijke kunst. Dat werk moet langzaam verstoffen in de depots.'' Het gaat om kunst in de DDR, niet om DDR-kunst.

Roem

Roem in het westen was weggelegd voor kunstenaars die de DDR ontvluchtten. Mensen als Gerhard Richter en Georg Baselitz. Ook hun werk komt maar zijdelings aan bod; het ontstond buiten de DDR.

Centraal staan de kunstenaars die Baselitz wel eens `Arschlöcher' heeft genoemd. De mensen die in de DDR bleven en het, conform Rehfeldts motto, ondanks alles toch probeerden. Kunstenaars die zich tot het socialisme bekenden, uitprobeerden hoe ver ze konden gaan en met wier werk de DDR-bonzen in West-Duitsland vervolgens goede sier maakten. ,,Kijk eens, wat bij ons allemaal mogelijk is.'' Maar ook kunstenaars die overdag op een vrachtwagen reden, 's avonds thuis de deur achter zich dichttrokken en in stilte aan de slag gingen. Zonder inmenging, maar ook zonder publiek.

Een overzichtstentoonstelling van kunst uit de DDR is een heikele onderneming. Vrijwel alle eerdere pogingen hebben een schandaal uitgelokt. De Nationalgalerie zelf hing begin jaren negentig werken van DDR-kunstenaars tussen de eigen westerse collectie. De dissidenten waren ziedend, in het Berlijnse (deelstaat)parlement werden vragen gesteld. In 1999 werd in Neurenberg een expositie van staatskunstenaar Willi Sitte na protest afgeblazen. In Weimar werden de schilderijen eens in drie rijen boven elkaar op plastic folie gehangen. ,,Dat deed me erg denken aan de expositie Entarte Kunst, München 1937'', zegt März.

Nu hangen de omstreden werken, met eerbied gegroepeerd, in de voorname Nationalgalerie. De bezoekers stromen toe – tienduizend in het eerste weekeinde – en een schandaal is tot nu toe uitgebleven. De expositie drijft mee op een golf van nostalgie naar de DDR, zegt März. De film Goodbye-Lenin van Wolfgang Becker, waarin de DDR de BRD overneemt, heeft inmiddels 6 miljoen mensen getrokken. Bovendien, denkt März, is de afstand tot de DDR na 13 jaar inmiddels zo groot dat een rustige beschouwing van haar kunst mogelijk is. ,,Misschien is de tijd nu rijp voor een eerste presentatie. Men heeft een zekere historische afstand. Men is niet meer zo gefixeerd op het slijpen van de messen.''

Gezien de voorkeur van alle dictaturen voor opbeurende figuratieve kunst verrast de expositie met een veelvoud aan stijlen. Er is werk dat herinnert aan Picasso, zoals `Raub der Sabinnerinnen' van een jonge Willi Sitte. Er is de Mail Art van Rehfeldt en er zijn foto's van flats die een beklemmende eenzaamheid uitstralen. Er zijn de kleurrijke abstracte lijnen van Herbert Behrens-Hangeler, er zijn geometrische vormen van gevouwen papier van Hermann Glöckner. Er zijn filmopnames van curieuze performances.

Onder het socialisme ontstond zelfs Pop Art, hoewel dat eigenlijk niet kan. Pop Art kan immers niet zonder kapitalistische consumptiemaatschappij (Brillo, Campbell's). En toch beeldde Willy Wolff in 1970 99 keer in zwart-wit het profiel van Lenin af ter gelegenheid van diens honderdste verjaardag. Van ver gezien lijken de kleine portretjes op zwarte nullen. Honderd keer nul blijft nul, meende Wolff.

De politieke speelruimte verbaast. Regelrechte aanklachten tegen het regime ontbreken weliswaar, maar het verplichte optimisme en de heroïek van het socialistisch realisme ontbreekt ook. Veel kunstenaars vonden een middenweg tussen protesteren en conformeren.

Het komische maar ook zwartgallige `Heizer's Geburtstagsständchen II' van Albert Ebert dateert al uit 1953, toen de dictatuur nog jong en gestreng was. Ebert was werkzaam als stoker en schilderde ter gelegenheid van zijn vijftigste verjaardag zijn eigen feestje. In de gitzwarte stookkelder speelt een fanfare, engelen met trompetten dalen neer, zijn vrouw arriveert in een witte feestjurk met de kinderen. En in de oven brandt partijleider Walter Ulbricht.

In de jaren zestig schilderde Harald Metzkers arbeiders die een kaartje leggen en koffie drinken (`Ein Feierabend in Wilten'). Ze werken niet aan de contrarevolutie, maar ze zien er ook niet uit alsof ze morgen grootse dingen voor de partij gaan verrichten. In de jaren tachtig, vlak voor het einde van het socialistische experiment, gingen de kunstenaars nog verder. Volker Stelzmann schilderde getergde figuren ingeklemd in houten kisten en de depressieve punk Jürgen. Via Leandowski tekende een arbeider als Icarus. Titel: ,,Übermut tut selten gut.'' Het schilderij van Wolfgang Mattheuer waarin Sisyfus – in blauwe overall – zijn steen in de steek laat en de berg afrent is dan al jaren oud. De staat liet het allemaal passeren – de Stasi-informanten hadden toch iedereen in de peiling. Men wist wat men tolereerde.

De partij had ook een hoogontwikkelde gave om de andere kant op te kijken zolang de kunstenaar niet tot last werd. Het abstracte werk van Behrens-Hangeler stond haaks op de voorschriften van de partij. ,,We willen aan onze academies geen abstracte kunst meer zien'', zei Ulbricht in 1951 in de Volkskammer. Toch werd Behrens-Hangeler docent aan de kustacademie in Berlin-Weissensee – op voorwaarde dat de kunstleraar zijn eigen werk niet aan zijn studenten zou tonen. März: ,,Hij woonde aan de rand van stad, waar nooit iemand kwam. Hij maakte sculpturen uit zilverfolie en tekende als een bezetene, maar er was totaal geen respons.''

Sjofel

Wie op een zomerse dag de Nationalgalerie binnenstapt, moet stevig in zijn schoenen staan wil hij nog fluitend naar buiten komen. Overal is schuld, eenzaamheid, mislukking. De donkere tinten overheersen. Humor, erotiek en kleur heeft de DDR vrijwel niet voortgebracht. De geschiedenisboeken lieten dat natuurlijk al vermoeden, maar de kunstwerken wrijven het nog eens in. Zonder erbarmen. Het moet een tragische samenleving zijn geweest.

Melancholie begeleidt de bezoeker langs de in twintig hoofdstukken gegroepeerde werken. De interieurs zijn sjofel en beklemmend klein, de dorpsgezichten onbewoond, de gezichtsuitdrukkingen ernstig.

Tragiek is van meet af aan een basisthema voor DDR-kunstenaars. De schande van het fascisme is na de oorlog een belangrijke inspiratiebron – en blijft dat decennialang. Op het bordes voor de ingang wordt de bezoeker opgewacht door een groot beeld van Fritz Cremer uit de jaren zestig, geïnspireerd door het gedicht `Deutschland' van Bertolt Brecht:

O Deutschland, bleiche Mutter, Wie sitzest du besudelt, Unter den Völkern.

Cremers reusachtige bronzen moeder heeft de haren streng in een knotje, het gelaat afgewend, de ogen gesloten.

Als Günter Grass in 1982 een expositie van DDR-kunst bezoekt, constateert hij dat in de DDR `meer Duits' geschilderd wordt dan in de BRD. März: ,,Kunst in de DDR was, dat is een Duitse erfenis, zeer existentieel, bijna existentialistisch. De tegenstrijdigheden, de conflicten in het leven worden in deze kunst weerspiegeld. Het is zeer reflectief, zeer verstandelijk, beredeneerd. Begin jaren tachtig had men in West-Duitsland al lang afgerekend met de drukkende last van het verleden. In het Oosten nog niet.''

Veel kunstenaars in de DDR, veroordeeld tot een teruggetrokken, pover bestaan, zochten in hun werk de confrontatie met de harde kanten van isolement en armoede. De serveerster in het schilderij van Manfred Böttcher kan elk moment aan haar depressie bezwijken. Maar de Serviererin is zo indringend geschilderd dat de lege blik in haar ogen niet snel loslaat. De grauwsluier en de almacht van de éénpartijstaat maakt kunst uit de DDR niet per definitie minder spannend: de socialisten hadden immers geen monopolie op `tristesse'.

Kunst in der DDR, Neue Nationalgalerie Berlijn, tot 26 oktober.

Humor, erotiek en kleur heeft de DDR niet voortgebracht