Julius Röntgen mag vaker terug in de Grote Zaal

De naam van de Duits-Nederlandse componist Julius Röntgen (1855-1932) prijkt al sinds jaar en dag in gouden letters op het balkon van de Grote Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw. Maar pas gisteravond klonk daar voor het eerst bij het Koninklijk Concertgebouworkest zijn Tweede pianoconcert. Het in Amsterdam geschreven werk dateert uit 1879, negen jaar voor de opening van het Concertgebouw, waar de pianoleraar en latere conservatoriumdirecteur Röntgen vaak concerten van het Toonkunstkoor leidde.

Via zijn vader, musicus in Leipzig, kende Röntgen musici als Clara Schumann en Johannes Brahms en in die sfeer klinkt ook zijn driedelige pianoconcert, geschreven op zijn vierentwintigste. Het is een heerlijk romantisch werk – in het midden een teder mijmerend Larghetto espessivo. Het kijk ook nog wat terug op Beethoven en Liszt, terwijl men aan het slot via een hoorn nog Weber hoort. De zorgeloos zonnig stralend opgewekte sfeer is weer ontleend aan de Leipziger Mendelssohn en paste perfect bij dit eerste Zomerconcert van het Concertgebouworkest, weer terug van vakantie.

De pianist Naum Grubert speelde het stuk met brille en grote inzet uit het hoofd – een uitzonderlijk prestatie bij zulk ongehoord repertoire. Samen met de plezierige en liefdevolle begeleiding door het Concertgebouworkest onder leiding van Ed Spanjaard klonk dit Tweede pianoconcert in stijl, met allure en vanzelfsprekende grandeur. De naam Röntgen staat niet onterecht op het balkon, is de conclusie, en zijn muziek mag vaker worden gespeeld.

Origineel was de programmering, waarbij Röntgen werd omringd door de ouverture Amphitrion van Johan Wagenaar (ook in gouden letters op het balkon aanwezig) en de Tweede symfonie van Brahms, wiens naam in het Concertgebouw in de hoogste regionen staat bijgeschreven. Brahms' Tweede werd twee jaar eerder geschreven dan het pianoconcert van Röntgen. Amphitrion dateert van 1938, maar het stuk is retro van toen en zo was er in dit concert een fraaie eenheid van stijl en sfeer. Net als Röntgen was Wagenaar conservatoriumdirecteur, in Den Haag, en zijn vakwerk bleek nog tintelend en fris.

Ed Spanjaard, Haitinks voormalige assistent die dit seizoen vaker voor het orkest staat, dirigeerde in ongehaaste tempi een fraaie, klassieke Brahms, door het publiek met veel enthousiasme begroet.

Al bleek Spanjaard hier geen dominerende interpreet, zijn Brahms was opmerkelijk door de voorbeeldige klankbalans, die allerlei vaak ongehoorde details aan het licht bracht. Ook excelleert hij in het zorgvuldige en subtiele rubato, de kleine bewegingen die de muziek doen ademen en zingen. In andere passages, waarin de symfonie zich verdicht, was er een roerige onderstroom die zich krachtig een weg baande naar aan het dramatische slot.

Spanjaards zeer evenwichtige stijl staat haaks op die van Jaap van Zweden, die eerder deze week in het Concertgebouw Mozart en Bruckner dirigeerde bij het Nationaal Jeugd Orkest. Van Zweden heeft de permanente aandrang de muziek extra op te poetsen om het gehoor bij de les te houden en geen moment van voorspelbaarheid of verveling te doen ontstaan. Bij Spanjaard blijkt dat bij een voortreffelijke uitvoering overtuigingskracht en succes door Brahms zelf al ruimschoots waren meegecomponeerd.

Concert: Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Ed Spanjaard m.m.v. Naum Grubert, piano. Gehoord: 14/8 Concertgebouw Amsterdam.