Iedereen is mooi, opvallend mooi

Anders dan zijn voorgangers maakte Hans Holbein van zijn geportretteerden mensen van vlees en bloed. Maar overdreef hij hun schoonheid niet?

In 1539 verandert alles voor Hans Holbein. En het begint zo onschuldig. Op 12 oktober, twee jaar daarvoor, bevalt Jane Seymour, de derde vrouw van koning Hendrik VIII van een zoon. Zelf sterft ze jammerlijk in het kraambed. Die gebeurtenissen heeft Hendrik ongetwijfeld met gemengde gevoelens ondergaan. Hij zal hebben gerouwd om de dood van zijn echtgenote, maar de vreugde om de geboorte van zijn zoon, Edward, was vast groter. Want Hendrik wilde een erfopvolger, zo graag dat hij zijn twee vorige echtgenotes er zonder veel scrupules aan opofferde.

Maar dat betekent niet dat Hendrik van plan is verder zonder vrouw door het leven te gaan. Er is alleen een probleem: hij heeft geen tijd haar zelf te zoeken. Dus stuurt hij Thomas Cromwell, zijn `Lord Chancellor' (en in die functie de opvolger van de filosoof Thomas More) op een tocht langs Europese vorstenhuizen. Cromwell kijkt, praat en keurt. Als een vrouw hem bevalt, laat hij Hans Holbein, de hofschilder van de koning, overkomen. Holbein heeft op dat moment een onberispelijke reputatie. Hij schilderde de koning al verschillende malen, en vele volgelingen aan en om het hof. En dus maakt Holbein eerst een tekening van de potentiële huwelijkskandidaat en vervolgens een schilderij, zodat Hendrik zijn toekomstige echtgenote zelf kan keuren.

Cromwells eerste uitverkorene is Christina van Denemarken, de zestienjarige weduwe van de hertog van Milaan. Holbein maakt zo'n prachtig schilderij van het meisje, dat Hendrik als een blok voor haar valt – maar door politieke redenen komt het niet tot een huwelijk. Gelukkig vindt Cromwell al snel daarna, in het Duitse plaatsje Düren, Anna van Kleef. Om Holbein niet te zwaar te belasten wordt eerst een paar lokale schilders (onder wie Lucas Cranach) verzocht een portret te maken, maar als dat niet lukt, reist `Meester Hans' zelf naar Düren. Ook zijn portret van Anna is uitmuntend. Holbein heeft haar frontaal geschilderd, tot de knieën, en haar exact symmetrisch in het doek gezet. Ze is gehuld in een rijk gedecoreerde, roodfluwelen jurk, haar handen zijn gevouwen, wijs en kuis, en ze kijkt de toeschouwer recht aan – welwillend. Vriendelijk. Ze is misschien niet zo'n sprankelende schoonheid als Christina, maar bevallig is ze zeker. En inderdaad: als Hendrik het portret ziet, besluit hij haar te trouwen. De voorbereidingen voor de ceremonie worden in gang gezet, en eind 1539 reist Anna naar Londen. En dan gebeurt het: de echte Anna stelt Hendrik zwaar teleur. Holbein heeft zo'n mooi schilderij van haar gemaakt dat ze nauwelijks meer lijkt op de vrouw die zich aandient bij de koning. Hendrik noemt haar een `Vlaamse merrie', laat het geplande huwelijk nog wel doorgaan, maar walgt zozeer van de arme Anna, dat hij de verbintenis niet wenst te consumeren. Binnen een half jaar wordt de scheiding aangevraagd. Al snel daarna wordt Thomas Cromwell wegens hoogverraad geëxecuteerd, en Holbein krijgt in de laatste vier jaar van zijn leven geen enkele koninklijke opdracht meer.

Erasmus

Uiteindelijk heeft die dreun Holbeins reputatie weinig schade gedaan. Sterker nog: Hans Holbein de Jonge (1497/98-1543) wordt tegenwoordig in Engeland en Frankrijk, net als Memling en Dürer, gezien als een topschilder van de noordelijke Renaissance. Alleen in Nederland is die reputatie minder. Dat zal te maken hebben met het feit dat er van Holbeins leven relatief weinig is overgeleverd, en dat hij vooral bekend staat als portretschilder van Engelse en Franse beroemdheden als Charles de Solier, Hendrik VIII en zijn hof en Thomas More – Erasmus is de enige Nederlandse uitzondering. Dat maakt het des te specialer dat juist het Mauritshuis er nu in is geslaagd een overzicht van twintig tekeningen en twintig schilderijen uit Holbeins oeuvre bij elkaar te brengen. Zulke exposities krijgen het steeds moeilijker: de oeuvres van topschilders als Holbein zijn over de hele wereld verspreid, hebben een verzekeringswaarde van vele miljoenen en dus is het bijna onmogelijk er nog een representatief overzicht van bij elkaar te brengen.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat dat ook het Mauritshuis niet is gelukt. De getoonde tekeningen en schilderijen bieden weliswaar een adequaat beeld van Holbeins ontwikkeling, maar er ontbreekt veel – genoemde portretten van Anna en Christina bijvoorbeeld, het schilderij van Thomas More, het sublieme dubbelportret van de Franse diplomaten Jean de Dinteville en Georges de Selve, en er is ook geen enkel portret van Hendrik VIII op de tentoonstelling te vinden. Daar staat tegenover dat het Mauritshuis er wel in is geslaagd een paar echte pronkstukken naar Den Haag te halen, zoals de Madonna van Darmstadt, een Maria-portret met donoren dat het Duitse museum al bijna vier decennia niet is uit geweest. En ook het portret van Edward, Hendriks zoon, als die vijftien maanden oud is en een van Holbeins drie Erasmus-portretten (die uit het Louvre) zijn trots ontvangen gasten. Gezamenlijk bieden al die hoofden, koppen en bustes de bezoeker meteen bij binnenkomst een curieuze ervaring: of je een feestje betreedt waar je zo goed als niemand kent, maar wel met iedereen zou willen praten. In één oogopslag is duidelijk wat een geweldige schilder Holbein was. Iedereen is mooi – opvallend mooi. Of het nu de tamelijk mollige Mary Wotton is, de hautaine, bijna gluiperige Richard Southwell of de barse John Chambers, hun blikken zijn statig en hun trekken edel. Als ze op afstand blijven dan willen ze dat zelf, zoals de jonge koopman Derich Born, die met zijn hooghartige blik en uitstekende jukbeenderen de toeschouwer als een jonge beau garçon van zich af houdt.

Feest

Maar toch – net als je door al die mooie mensen en lonkende blikken bereid bent je volledig in Holbeins feest te storten, schiet het verhaal van Anna van Kleef weer door je hoofd. En daarmee het besef dat deze portretten, hoe verleidelijk echt ze ook lijken, weinig zeggen over de geportretteerde zelf. Sterker nog: doordat deze portretten zo mooi zijn, confronteren ze de toeschouwer met het kernprobleem van de portretschilderkunst, waar iedere schilder mee te maken krijgt, namelijk: hoe hou je bij het schilderen het evenwicht tussen enerzijds het weergeven van je model, en anderzijds het verlangen een mooi schilderij te maken? Dat is een lastig dilemma. De meeste mensen zijn nu eenmaal niet erg bevallig, zeker als ze wat in verval raken. Daarmee zadelen ze de schilder op met het dilemma dat lelijke hoofd zo mooi en toch waarheidsgetrouw mogelijk te schilderen, een dilemma dat nog nijpender wordt als dat lelijke hoofd, zoals meestal, ook zijn honorarium betaalt.

Dat probleem, die verscheurdheid, wordt bij uitstek gesymboliseerd door Holbeins portret van Anna van Kleef – daar ging Holbein te ver. Hoeveel te ver wordt duidelijk als we er een ander portret van Anna bij halen, gemaakt door een veel mindere schilder: de tamelijk onbekende Bartholomäus Bruyn de Oude. Hier maakt Anna's rustige gratie plaats voor een nurkse blik, een spitse kin en een puntneus – een huisheks in prinsessenoutfit. Zo had Holbein haar ook kunnen schilderen, maar niks ervan: hij offerde Anna's fysieke verschijning op voor het verlangen zijn opdrachtgever te plezieren, en voor zijn verlangen een fraai schilderij te maken. Dat pleitte voor Holbeins kunstenaarsgeest, maar niet voor zijn betrouwbaarheid.

Zo bezien, roept die parade van portretten in het Mauritshuis dus een curieuze vraag op: is Hans Holbeins roem vooral gebaseerd op zijn vermogen een goed gelijkend portret te maken, of juist op zijn kracht portretten zo te schilderen dat ze altijd mooi zijn, ongeacht de fysionomie van de geportretteerde? Helaas is het antwoord op die vraag niet makkelijk te vinden, want zoals gezegd is er, ondanks Holbeins faam, opmerkelijk weinig over hem bekend.

Vast staat in ieder geval dat Holbein altijd ambitieus moet zijn geweest. Hij werd geboren in Augsburg, op dat moment een bloeiende handelsstad, als zoon van Hans Holbein de Oude, een schilder met een goed lopende schilderspraktijk, met diverse leerlingen die zowel devotiestukken als portretten vervaardigen. Al tijdens zijn opleiding maakt Holbein junior kennis met de schilders uit de Italiaanse Renaissance en ook het werk van Memling en Dürer (1471-1528) zal hem zeker niet onbekend zijn geweest. Rond zijn zeventiende verlaat hij het ouderlijk atelier om naar Bazel te vertrekken. Daar wordt hij in 1519 tot het schildersgilde toegelaten. Hij trouwt er en binnen enkele jaren is hij een van de meest vooraanstaande schilders van de stad, getuige de opdracht in 1521 om de grote raadzaal van het stadhuis te beschilderen.

Ergens rond die tijd moet de beslissende omslag hebben plaatsgevonden. Veel kenners van zijn werk leggen dat op 1519, als Holbein een portret maakt van Bonifacius Amerbach. Dit portret vormt een opmerkelijke breuk met zijn voorgaande werk; op portretten uit de jaren ervoor, zoals die van Jakob Meyer, burgemeester van Bazel en zijn vrouw Dorothea Kannegieser, zijn de geportretteerden nog vrij vlak geschilderd. Holbeins werk staat dan nog zwaar onder de invloed van grote Italiaanse renaissanceschilders als Piero della Fransesca: goed geschilderd, maar afstandelijk.

Dat is bij zijn portret van Amerbach opvallend anders. Zijn gezicht is levendig, vol kleur en bloed en schaduw; zijn ogen zijn strak en dwingend. Al vrij snel nadat Holbein dit portret exposeert, stijgt zijn roem als vernieuwend schilder – waarmee hij ongetwijfeld ook de aandacht van Erasmus trekt, die rond die tijd in Bazel verblijft en met Amerbach is bevriend. In 1523 schildert Holbein Erasmus maar liefst drie keer, en al die schilderijen behoren tot het beste van wat hij tot dan toe maakte. Op de doeken zien we Erasmus met edele trekken, vriendelijke glimlach, licht ironische blik – precies zoals we de grote humanist tegenwoordig kennen. Het is dan ook niet te veel om te stellen dat dit moderne Erasmus-beeld, zijn imago, mede door Holbein is geschapen.

Erasmus was, hoewel hij later Dürer hoger zal aanslaan, zo tevreden over Holbeins werk dat hij hem van aanbevelingsbrieven voorziet als de schilder zijn geluk eerst in Frankrijk en later in Engeland gaat beproeven. Die tocht verloopt aanvankelijk met wisselend succes. Over Holbeins tijd in Frankrijk is weinig bekend. In Engeland maakt hij echter al snel het prachtige portret van Erasmus' vriend Thomas More. Daarop blijkt opnieuw hoe goed Holbein in staat is van zijn geportretteerde een individu te maken – en daarmee komt hij precies op het juiste moment. De nadruk die Holbein legt op het voorkomen van de afzonderlijke mens, de individu die los van de schilderkunstige traditie wordt geschapen, past perfect bij het gedachtegoed van het humanisme. Dat is waarschijnlijk ook precies wat Hendrik VIII in Holbeins werk aanspreekt: dat zijn schilderkunstige verschijning er niet langer een was in een lange lijn, maar van hem een uniek wezen maakte in een unieke tijd – precies zoals hij zichzelf zag.

Pronkstuk

Hoe goed Holbein slaagt in die individualisering is het mooist te zien op de Darmstadt Madonna, het pronkstuk van de Mauritshuis-tentoonstelling. Op dit paneel zien we Maria met de kleine Jezus op haar arm, omringd door zes mensen. Twee van hen zijn makkelijk te identificeren: het zijn Jakob Meyer zum Hasen, de Bazelse burgemeester die Holbein in 1516 ook al eens portretteerde, met zijn vrouw Dorothea. Achter haar Jakobs eerste vrouw, voor haar hun dochter Anna. Voor Jakob staan twee jongens, die een stuk moeilijker thuis te brengen zijn – onderzoekers gaan er vanuit dat de oudste de heilige Jakobus is, Meyers naamheilige, en het jongetje voor hem de heilige Johannes. Wat echter het meest opvalt aan het paneel is de totaal verschillende manier waarop de personages zijn geschilderd – Magdalena, Meyers eerste vrouw is nauwelijks te zien, dus zij telt niet mee. Van de overige zeven valt op dat de traditionele, symbolische personages in hoge mate symbolisch blijven. Maria mag er dan nog zo prachtig en maagdelijk uitzien, ze zou zo uit een Italiaans renaissanceschilderij kunnen zijn gestapt, net als Jezus, Jakob en Johannes. En dat maakt het verschil met de drie `echte' mensen alleen maar groter. Jakob Meyer kun je nog elk moment op straat tegenkomen, met zijn semi-devote blik, zijn verlegen wangen en de grijze waas rond zijn kin. Ook Dorothea is prachtig – kordaat, borende blik, strakke mond.

Het gevolg van die ongebruikelijke balans is curieus: de opdrachtgevers op een devotieportret trekken meer aandacht dan de moeder Gods en haar gevolg. Daarmee markeert de Darmstadt Madonna in veel opzichten een cruciale schilderkunstige omslag: voor het eerst zijn de gewone mensen mooier, sprekender dan de heiligen. Als Hans Holbein ergens verantwoordelijk voor is, en ergens eeuwige roem om verdient, dan is het omdat hij als een van de eersten structureel de mens op een voetstuk zette, boven de schilderkunstige traditie uittilde – de Darmstadt Madonna is het bewijs.

Wie dat mechanisme eenmaal in Holbeins schilderijen herkent, beseft ook dat Holbein de eerste was uit een lange rij schilders en fotografen die er door hun blik en hun techniek in slagen de geportretteerden boven zichzelf uit te laten stijgen. Daarmee worden ze bijna automatisch de portrettisten van beroemdheden of mensen die dat willen worden, want die zijn daar gevoelig voor en kunnen zich hun diensten veroorloven. Zo bezien loopt er een directe lijn van Holbein naar een hedendaagse fotograaf als Mario Testino, die prinses Diana fotografeerde en er zelfs in slaagde prins Charles als een charmante persoonlijkheid op de plaat te zetten. Dat laatste is precies de andere, grote aantrekkingskracht van het oeuvre van een kunstenaar als Holbein. Zijn werk is geschapen om de mens te overleven. Nu zijn modellen van de aardbodem zijn verdwenen, blijven de portretten over, als enige getuige van hun tijd. Holbein heeft ze de eeuwige schoonheid geschonken.

Hans Holbein: Portretschilder van de Renaissance. Mauritshuis, Korte Vijverberg 8, Den Haag. T/m 16/11. Open: dag. van 10-17u. Catalogus € 35,-(geb.) en €25,- (alleen in de museumwinkel). Informatie en voorverkoop tel. 070 3023435, www.hansholbein.nl of www.mauritshuis.nl

Er loopt een directe lijn van Holbein naar Mario Testino

Het probleem is dat de meeste mensen niet bevallig zijn