Geen toegang tot Blair

Journalisten willen dolgraag `toegang' hebben tot machthebbers. De vraag is vervolgens: onder welke voorwaarden krijgen ze die, en wat doen ze ermee? Peter Stothard, oud-hoofdredacteur van The Times en nu van het Times Literary Supplement, kreeg dertig dagen lang toegang tot de Britse premier Tony Blair en diens directe omgeving. Althans, hij was de eerste die erbij mocht zijn als de deuren na beraad weer opengingen. Hij doet verslag van zijn bevindingen in 30 Days, waarin hij van 10 maart tot 10 april 2003 de gebeurtenissen beschrijft in de aanloop naar en tijdens de oorlog met Irak. Hij wilde een portret van de premier maken, die juist toen zijn vijftigste verjaardag vierde. Stothard bivakkeerde aan Downing Street 10 en vloog met Blair mee in zijn officiële jet.

Dat levert veel aardige details op, maar weinig interessant nieuws. Blair wordt geportretteerd als een man van stavast, die diep overtuigd is van de morele noodzaak om Saddam Hussein aan te pakken, en om de Amerikanen dat niet alleen te laten doen. Op een cruciaal moment vat Blair het motief om de Iraakse dictator te verjagen als volgt samen: ,,Mensen vragen me waarom we niet ook Mugabe verjagen, of die lui in Birma. Ja, laten we met allemaal afrekenen. Dat doe ik niet, omdat ik het niet kan. Maar als je de kans krijgt, moet je het ook doen.'' Het verwijderen van Saddam was voor Blair dus, naast alle retoriek over verboden wapenbezit, een morele plicht, toen de gelegenheid er was. Elders somt Stothard zes punten op die voor Blair cruciaal waren in het beoordelen van de noodzaak en aanpak van de oorlog: Saddam Hussein was een voor zijn vijanden gevaarlijke dictator; Amerika en Engeland rekende hij tot zijn vijanden; het Amerikaanse volk zou een oorlog na 11 september steunen; Bush zou de oorlog tóch voeren; het Britse volk zou de oorlog alleen steunen als er een rol was voor de VN; en op de lange duur zou het nadeliger zijn voor de wereldvrede als de Amerikanen Saddam alleen zouden verjagen dan wanneer dat in coalitieverband zou gebeuren.

Voor het overige biedt het boek van Stothard veel tamelijk onbelangrijke feiten en beschrijvingen, zoals de samenstelling van het ontbijt en de locatie van kantoren, die moeten bewijzen dat hij er inderdaad dicht op zat, maar die de lezer bar weinig zeggen. De oud-hoofdredacteur van The Times mist bovendien de rusteloze nieuwsgierigheid van de ware onderzoeksjournalist, en verliest zich te vaak in bewonderend gadeslaan, of het maken van koddige, zeer Engelse opmerkingen (`De dood is niet wat de minister van defensie verwacht; als alles goed gaat, eerder een promotie'). De lezer krijgt een idee van de intense beraadslagingen aan Downing Street 10, en het gewetensonderzoek van Tony Blair, maar als journalistieke reportage mist het boek spanning en diepgang. Zodat ook de hoofdpersoon, de premier om wie het allemaal draait, uiteindelijk een ontoegankelijke figuur blijft.

Peter Stothard: 30 Days. A Month at the Heart of Blair's War.

HarperCollins, 244 blz. €19,95