Eenzaamheid loopt in de gaten

SAVELLETRI De wereld zal nog wel een tijd door blijven branden, maar er zijn kleine drama's die aan de vergetelheid moeten worden ontrukt.

Hij verscheen om negen uur 's avonds in een windjack op het terras van het hotel, een oud, wit fort, zo'n zestig kilometer ten zuiden van Bari, überhaupt een gebied waar ze de wereldbrand gewoon zijn vergeten.

Uit de zak van zijn windjack haalde hij een ketting met daaraan een metalen balletje, zeg maar een slinger. In de strip Kuifje gebruikte professor Zonnebloem een soortgelijk instrument om de ligging van een gezonken schip mee vast te stellen, in het wild kom je het zelden tegen.

De man met het windjack, eind veertig, vroeg om drie flessen rode wijn. Toen begon hij de slinger geconcentreerd om de flessen te bewegen. Na een paar seconden van intense concentratie koos hij de linkerfles uit. Daarna bewoog hij de slinger boven zijn bord, zijn bestek, zijn servet en zelfs de broodmand.

Hij sprak Italiaans met het personeel, later zag ik hem verdiept in een Duitse krant.

Het gehele terras staarde hem onbeschaamd aan maar hij bewoog zijn slinger onverstoorbaar over de tafel, het grind, zijn voor- en hoofdgerecht. Halverwege het eten verplaatste hij zich naar de bar.

De volgende avond verscheen hij weer, dit keer zonder windjack, maar hij had zijn geheimzinnige instrument bij zich. Het ritueel werd herhaald. Hij vroeg om drie flessen wijn, dit keer witte.

Over deze man heb ik een theorie ontwikkeld. Dat doe je op vakantie.

Al in april had hij een tweepersoonskamer gereserveerd in dit tot hotel omgebouwde fort. Een paar dagen voor het vertrek zegt zijn reisgezelschap, een gescheiden vrouw, plotseling af. Ze heeft tijd voor zichzelf nodig, ze twijfelt, ze beweert dat het te vroeg is voor een gemeenschappelijke vakantie. De man besluit dan maar alleen af te reizen.

Of, en die mogelijkheid bevalt me beter, hij reserveerde in april een kamer voor augustus met de gedachte, tegen die tijd heb ik wel iemand gevonden om met me mee te gaan.

Het wordt augustus en hij heeft niemand gevonden. Niet dat hij zich buitengewoon actief op dat gebied heeft opgesteld. Hij heeft in de supermarkt en op zijn werk wel eens laten vallen, ik ga deze zomer naar een oud fort ten zuiden van Bari. De reacties waren welwillend maar veel verder dan, oh wat leuk, gingen ze toch ook niet.

Het kan natuurlijk ook zijn dat hij de avond voor het vertrek in zijn appartement in München zijn vrouw met een hamer de schedel heeft ingeslagen. Eén ferme tik was voldoende, zo dik is een schedel ook weer niet. Hij heeft meteen spijt van zijn daad, eigenlijk al terwijl hij ermee bezig was, maar aangezien hij begrijpt dat spijt niets meer uithaalt, nu de tik is uitgedeeld en zijn echtgenote levenloos op het tapijt ligt, besluit hij haar nog diezelfde nacht te begraven in een bos vlakbij de Starnberger See. Daarna rijdt hij in één ruk door naar Bari, nu hij over zijn moeheid heen is komt van slapen toch niets meer. Iets voorbij de Oostenrijkse grens voelt hij zich voor het eerst van zijn leven buitengewoon vrolijk en daadkrachtig.

Maar de waarheid is natuurlijk dat hij eenzaamheid prefereert boven het altijd teleurstellende, en bovendien vaak kostbare, gezelschap van de mens. Zelfs zijn negentienjarige dochter, met wie hij verleden zomer twee op zichzelf aardige weken in Granada en omstreken heeft doorgebracht, werkt hem op de zenuwen met haar gepraat over kleren die ze zelf wil gaan maken.

Nu zit hij daar alleen in dat fort en merkt dat aan eenzaamheid een groot nadeel kleeft: het loopt in de gaten. Vooral de eenzaamheid van mannen wekt argwaan.

Hij durft zich niet bij het zwembad te vertonen. Alleen 's avonds komt hij naar buiten voor een hap warm eten. Maar hij begrijpt dat de andere gasten hem zullen bekijken met dat mengsel van meewarige interesse en lichte angst.

Ze zullen hem belachelijk vinden, vreest hij. Voor een belachelijk mens zit er maar één ding op: zich belachelijk te gedragen.

Onderin zijn reistas vindt hij een slinger met een balletje, gekregen van een vriendin die inmiddels drie kinderen heeft bij een andere man en hij denkt, ja, dit is het. Hij voert zijn show op, zwetend, maar ook genietend. Hij speelt de gek om te verbergen hoe gek hij echt is.

Toen verloor ik hem uit het oog, want per trein reisde ik naar de andere kust van Italië. Daar waren geen mannen met slingers, maar wel een hoop oudere heren met jongere vrouwen. Het is weer in de mode.

Een van die vrouwen ging iedere middag precies onder mijn balkon naakt liggen zonnen.

Terwijl ik werk werp ik blikken op de tatoeage onderaan haar rug.

Dan huur ik om nostalgische redenen een kleine motorboot. Verleden jaar deed ik dat ook, dat beviel me toen erg goed.

Vrijheid, water, dat extreem mannelijke gevoel iets te besturen en te bedwingen dat veel lawaai maakt.

De zee is ruw, maar dat merk ik pas als ik al twintig minuten aan het varen ben. Als ik ver genoeg van de kust ben, zet ik de motor stil, kleed mij uit en laat mij naakt in het water glijden. Precies zoals het jaar daarvoor.

Ik zwem. Bij vrouwen stel ik me soms mensen voor die geen idee hebben wat zionisme is en ook niet weten wie of wat ze zich moeten voorstellen bij een trotskist.

Vervolgens klim ik weer aan boord en krijg de motor niet meer aan. Hoe hard ik eraan trek, er gebeurt niets.

Verleden jaar ging er ook iets mis, maar niet dit. Er gaat altijd iets anders mis.

De golven maken me misselijk, de bergen die uit de zee oprijzen zijn prachtig, ik kruip naar het kleine voordek, ga daar liggen, en kots over de reling. Iets wat ik de laatste maanden opmerkelijk vaak doe, maar geen reden tot paniek.

Als je voor de ander moet staan als voor de ingang naar de hel, zoals Kafka heeft geschreven, blijf ik liever op afstand. Regelmatig contact per e-mail, half november een weekendje Lugano.

Dichtbij is uiteindelijk altijd te dicht bij onoplosbare pijn.

Het is vijfendertig graden, uitgekotste boterham caprese blijft akelig lang op de golven drijven. Zonder een beetje lijden zou het allemaal nog minder voorstellen.

Hulp arriveert pas twee uur later, een potige man die met een ferme ruk een eind maakt aan het probleem.

Ik ken mensen die de messen verstoppen om het ergste te voorkomen als hun minnaar weer eens uitbarst.

Ik vaar terug naar de haven.

De straten zijn nauw en pittoresk. Op de gezichten van de vakantievierders zie ik verlangen naar iets wat verdergaat dan goede organisatie en betaalbare luxe. Bij een kermis laat ik mij de hand lezen door een vrouw met een kleine, rode koffer. Zo klein dat je denkt dat er speelgoed in zit, lego en playmobil. Of een poppenverzameling.

Ze beweert dat mijn leven binnenkort zal worden opgeschrikt door een moord, maar dat ik niet de dader zal zijn en ook niet het slachtoffer, alleen de getuige. Ook zegt ze: ,,Mannen hebben een ego dat je moet oppoetsen tot het glimt als het zilveren bestek van je overleden grootmoeder.''

Daarna helpt ze lachend een andere klant.

In kleine dorpen in de bergen zijn voornamelijk honden en grootmoeders. En het uitzicht. Een belachelijk grote biefstuk in een uitgestorven café. Een pension waar de televisie hard aanstaat, maar waar niemand opendoet als je aanbelt.

Geweld is de neerslag van machteloosheid en lijkt daarin op literatuur.

Je kent ze wel, die telefoontjes middenin de nacht. De messen waren zorgvuldig verstopt, maar een schaar bleef op het aanrecht slingeren.

Wat ik verder nog kwijt wil:

Eigenlijk ben ik een goed mens, maar daarvan kun je niet leven.

    • Arnon Grunberg