Een renaissance vóór de ondergang

Door de Duitse geschiedenis loopt geen rechte lijn naar de holocaust. Pas toen de joden zich sterk identificeerden met de democratie en de republiek van Weimar, werden zij op grote schaal het slachtoffer van complotdenkers. Daarvoor bloeide het joodse denken.

Op dinsdagochtend 13 maart 1900 vonden Johannes Winter en zijn vriend Hermann Lange aan de oever van een meertje bij hun woonplaats Konitz, dicht bij de oostgrens van het Duitse Rijk, een met touw dichtgebonden pak. De zoon van Winter was al twee dagen vermist. `O God, het is mijn zoon', riep Winter uit. Het politieonderzoek leverde aanvankelijk niets op, maar eind april dook een getuige op, die verklaarde dat de alcoholistische, achterlijke, maar bovenal joodse Wolf Israelski iets met de moord te maken zou hebben. Die beschuldiging hield kort stand, maar de toon was gezet: de joden hadden Ernst Winter gedood.

Na Israelski kwam de verdenking te liggen op de kosjere slager Adolph Lewy. Toen ook hij een alibi bleek te hebben, ondervroeg de politie de christelijke slager, Gustav Hoffmann, wiens dochter iets met Ernst Winter zou hebben gehad. Hoffmann onderging de ondervraging ogenschijnlijk lijdzaam, maar verklaarde vervolgens tegen de lokale krant, dat Ernst Winter afgeslacht was `door een geoefende kosjere slager'. Het was zeker dat Winter `volgens joods ritueel als een stuk vee was afgeslacht'. Met die verklaring kwamen de verdenkingen rond de moord in het teken te staan van een aloud patroon van antisemitische beschuldigingen van rituele moord. Al gauw braken er antisemitische rellen uit, waar een Pruisisch bataljon van 650 man een eind aan maakte. De moordenaar werd nooit gevonden.

In zijn studie naar de Konitzer-moordzaak plaatst Helmut Walser Smith, Amerikaans historicus van Duits-Amerikaanse origine, de gebeurtenissen in Konitz in een lange traditie van beschuldigingen dat joden het bloed van christenen gebruiken om met Pesach matses te bakken. Een eerste golf van deze beschuldigingen ontstond in de dertiende eeuw, volgens Walser Smith in een klimaat van groeiende onzekerheid rond het idee van transsubstantiatie: de gedachte dat het lichaam van Christus in de hostie aanwezig was maakte van de eucharistie een kannibalistische daad, waarvan de schande slechts uitgewist kon worden door de overtreding van het taboe op de joden te projecteren. In de eeuwen daarna leek deze antisemitische mythe verdwenen, maar hij dook weer op in de achttiende eeuw, om in de loop van de negentiende eeuw verder aan invloed te winnen.

Interessanter nog dan de wederkeer van de beschuldiging van rituele moord, is de voortdurende bestrijding van deze mythe door kerkelijke en wereldlijke autoriteiten. De Konitz-affaire was in dat opzicht in tweeërlei opzicht een omslag. Niet alleen was dit het laatste geval van deze mythe – het antisemitisme kreeg toen een andere vorm, niet langer religieus maar raciaal beredeneerd – maar bovendien veranderde nadien de rol van de autoriteiten: zij werden van rem tot aanjager van populair antisemitisme, met desastreuze gevolgen.

Walser Smiths weergave van de onrust in Konitz leest als een antropologie van de hetze, gevoed door oude stereotypen, dorpspolitiek en een antisemitisch journaille op zoek naar een clientèle. Jammer genoeg ontneemt de rommelige opbouw van het boek vaak het zicht op de strekking van zijn betoog. Wat de geschiedenis van Konitz zegt over de positie van joden in Duitsland voorafgaand aan de shoah blijft daardoor onduidelijk, al lijkt het boek de gedachte te ondersteunen dat er in Duitsland al ver voor 1933 een moorddadig antisemitisme bestond.

Assimilatie

Vrijwel gelijktijdig met de studie over Konitz verscheen van de Israëlische historicus Amos Elon een indrukwekkende studie over de joden in Duitsland, vanaf 1743 tot 1933; vanaf het jaar dat de veertienjarige Moses Mendelssohn, afkomstig uit het benauwde getto in Dessau aankwam in Berlijn, waar hij een van de grootste denkers van de Verlichting zou worden, tot aan de machtsgreep van Hitler. Elon gaat aan Konitz voorbij, omdat hij zich keert tegen de geschiedenis van joden in Duitsland als een onvermijdelijke Verfallsgeschichte, die niet anders kon eindigen dan in de shoah: `[...] was het niet zo gruwelijk afgelopen, dan zouden we de decennia voor 1930 nu bestempelen als een gouden eeuw, die alleen onderdeed voor de Italiaanse Renaissance'. Die periode werd voorafgegaan door een lange tijd van onderdrukking, juridische uitsluiting en antisemitische rellen, maar tegelijk door een onmiskenbare bevrijding uit de kluisters van vooroordelen, zowel aan niet-joodse als ook aan orthodox-joodse kant. Elon schrijft zo een lofzang op de joodse assimilatiegeschiedenis.

Elon schrijft deze geschiedenis van aanvankelijke uitsluiting en geleidelijke emancipatie als het verhaal van de Grote Joden – de denkers en dichters die altijd liever Duits dan joods wensten te zijn. Zij manifesteerden zich ten tijde van de juridische uitsluiting in de salons, waar vrouwen als Henriette Hertz en Rachel Varnhagen vorm gaven aan `miniatuur-utopieën' van verlichte omgangsvormen. Daar ontwikkelden zij de ideeën van de burgerlijke gelijkstelling, waarvoor zij in de revoluties rond 1800 en 1848 in de voorste gelederen streden. De Duitse joden waren evenwel niet onveranderlijk progressief en kosmopolitisch georiënteerd. Velen wensten Duits met de Duitsers te zijn en wierpen zich op als voorvechters van de Duitse natie. Zo werd Berthold Auerbach, een joodse revolutionair van 1848, met zijn Dorpsverhalen uit het Zwarte Woud (1843) de grondlegger van de Heimatliteratur, die zelfs de grootste antisemiet wist te ontroeren. De identificatie met Duitsland kreeg op die manier naast een liberale en socialistische, ook een conservatieve uitwerking.

Elon slaat de waarde van deze assimilatiegeschiedenis hoog aan, maar onderkent ook de keerzijde: de meeste van deze assimilanten ervoeren hun joodse achtergrond slechts als een last. Van Heine tot en met Herzl werd het jodendom geassocieerd met zowel achtergesteldheid als achterlijkheid. Die verwerping van het joodse kon soms overgaan in zelfhaat. Slechts ten dele werd die gecompenseerd door de neiging, al bij Heine te vinden maar tot volle wasdom bij het chassidisme van Martin Buber, om de stetl-joden als een soort nobele wilden af te beelden, die nog contact hadden met het niet door stadslucht verpeste joodse levensgevoel.

Sentiment

Lange tijd hadden de Duitse joden het idee dat het steeds beter met hen zou gaan. Rond 1900 leek dat ook werkelijk het geval. De juridische belemmeringen werden steeds meer opgeheven en de antisemitische beweging leek rond de eeuwwisseling maar weinig aanhang te genereren. Het antisemitisme was als term in 1879 gemunt in Der Sieg des Judentüms über das Germanentum van Wilhelm Marr, de oprichter van de antisemitische liga en had academische respectabiliteit gegeven door de geschriften van Heinrich von Treitschke, maar kreeg geen steun, noch van de bevolking, noch van de autoriteiten. Juist het falen van de antisemitische beweging was reden voor agitatie in Konitz. Duitse joden waren echter geneigd dat af te doen als een onaangenaam sentiment.

Zoals Elon de geschiedenis schetst, vormden de eerste decennia van de twintigste eeuw de succesvolle integratie van joden in de nationale gemeenschap. Zij identificeerden zich volledig met de republiek van Weimar, die zij ervoeren als de bekroning van een eeuwlange strijd voor de juridische gelijkstelling van joden en niet-joden. En juist die volledige identificatie betekende hun ondergang. De kritiek op de democratie kon zo eenvoudig omslaan in een kritiek op de felste verdedigers ervan: de joden. Hun hele emancipatiepad, getekend door intellectualiteit, politiek activisme en (over-)enthousiast nationalisme, werd nu ontmaskerd als een joods complot.

De brede aanhang daarvoor blijft bij Elon evenwel onverklaard, omdat hij zich vrijwel uitsluitend met de Grote Joden (Heine, Marx, Einstein, Rathenau) bezighoudt en het gewone volk, zowel joden als niet-joden, buiten beschowing laat. Maar ook Elon laat zien dat die populaire steun nergens toe had geleid als het antisemitisme niet door de staat was gekanaliseerd. Was dat niet gebeurd, dan hadden de joden in Duitsland een gouden toekomst gehad.

Amos Elon: The Pity of it All. A History of Jews in Germany, 1743-1933. Penguin Books, 464 blz. €48,42. Nederlandse vertaling door Margreet de Boer: Duitsland en zijn joden. Geschiedenis van het Duitse jodendom van 1743 tot 1933, Meulenhoff, 446 blz. €29,90

Helmut Walser Smith: The Butcher's Tale. Murder and Anti-Semitism in a German Town. W.W. Norton & Company, 270 blz. €29,99. Nederlandse vertaling door Tinke Davids: Het verhaal van de slager. Moord en antisemitisme in Duitsland, 1900. Ambo/Anthos, 288 blz. €22,90