Een land in beton gegoten

In de jaren tachtig was het moderne Japan de toekomst, twintig jaar later is het land bijna van het toneel verdwenen. Wat ging er mis? En kan het weer goed komen, na dertien jaar economische malaise? In vier boeken wordt gezocht naar verklaringen en wegen uit de impasse.

Waar is Japan gebleven?

Dertien jaar geleden is het nog maar dat de rest van de wereld zich afvroeg hoe lang het zou duren voordat Japan haar simpelweg zou opkopen. Dat schilderijen van Van Gogh voor recordprijzen naar Tokio verdwenen. Dat de modeshows in die stad de Parijse naar de kroon zouden gaan steken en Japans design het toppunt zou worden van delicatesse en functionaliteit. Dat de industrie afgunstig keek naar de quality circles en just in time-deliveries die het Japanse bedrijfsleven moeiteloos in praktijk bracht. En dat Amerikaanse arbeiders in Detroit voor het oog van de camera een `Japanner' met voorhamers in elkaar ramden in een luidruchtig protest tegen het verdwijnen van hun banen naar het Oosten. En dat tenslotte, om alles samen te vatten, alleen al de grond van het keizerlijk paleis in Tokio in waarde vergelijkbaar zou zijn met het bruto binnenlands product van Zwitserland.

Nu, dertien jaar na het uiteenspatten van de Japanse zeepbel, lijkt Japan even snel in de coulissen te verdwijnen als het destijds voor het voetlicht trad. Het is tekenend hoe de literatuur over Japan dat proces van opkomst en crisis volgt. Een greep uit de boekenkast: eerst in de jaren tachtig de golf van angst (The Japanese Conspiracy: The Plot to Dominate Industry Worldwide and How to Deal with It, 1985), en kritiek (Japan in the Passing Lane, An Insider's Account of Life in a Japanese Auto Factory, 1983). Dan, op het toppunt van de macht, én van de irritatie van de handelspartners in het Westen, volgt het antwoord in de vorm van The Japan that can say no, van de rechtse politicus Shintaro Ishihara (1991). Niet Japan, maar de Verenigde Staten moeten zich volgens hem aanpassen in de wedloop om de economische wereldmacht.

Kort daarvoor publiceert Karel van Wolferen zijn weergaloze The Enigma of Japanese Power (1990). Voor het eerst wordt duidelijk dat het een illusie is om de definities van staatsmacht en verantwoordelijkheid die wij kennen, van democratie en rekenschap, toe te passen op Japan. Van Wolferen maakt duidelijk dat het Japanse politieke en economische systeem juist door zijn ongrijpbare, diffuse machtsstructuur moeilijk in staat is te veranderen. Een bevel tot verandering veronderstelt dat de macht voldoende geconcentreerd is, namelijk bij degene die het bevel geeft, zoals een kabinet of parlement of economisch topberaad. En juist dat is, om Van Wolferen sterk te versimpelen, een vooronderstelling die Japans Westerse tegenhangers voortdurend parten speelt.

De implosie van de Japanse economie sinds 1990 maakt in de jaren negentig in de Japan-literatuur vervolgens een golf aan goedbedoeld advies los. Echte en borreltafeleconomen leven zich uit in het macro-economische laboratorium dat Japan is geworden. Pomp geld in de economie! Nee, juist niet: laat de recessie uitzieken, maar dan echt! Verlaag de rente. Laat de rente ongemoeid en financier de overheidsuitgaven door de geldpers te laten draaien. Laat in godsnaam de geldpersen niet draaien! Koppel de banken los van overheidsbemoeienis. Integendeel, renationaliseer de banken!

Anno 2003 galmt Van Wolferens echo nog steeds. Soepele veranderingen zijn niet Japans grootste kracht. Het probleem van slechte leningen bij de banksector, het gevolg van de speculatiegolf in de jaren tachtig, is nog steeds niet opgelost. Het dalen van de prijzen is nog niet verholpen ondanks een monetair beleid dat de effectieve rente op geld naar nul terugbracht. De Japanse verzekeringssector mag worden beschouwd als technisch failliet. De werkloosheid loopt op, het aantal faillissementen neemt toe. De overheidsschuld van ruim 160 procent van het bruto binnenlands product maakt die van Italië tot kinderspel. En de Nikkei-index bungelt onder de 10.000 punten. De verkiezing van de modern ogende en pratende Junichiro Koizumi tot premier bracht twee jaar geleden een golfje hoop. Maar hij werd de zoveelste voorman van die eeuwige Liberaal-Democratische Partij, die wederom hervormingen zou gaan uitvoeren. En waar alweer niets van komt.

De impasse maakt de toeschouwer murw. De buitenwereld lijdt aan een steeds ernstiger geval van Japan-moeheid. Bijgaand grafiekje geeft het aantal artikelen in deze krant weer, waarin Japan voorkomt. De dalende lijn spreekt voor zichzelf.

De vraag naar signalen uit Japan mag dan zijn ingezakt, ook het tanende aanbod van signalen uit Japan is verantwoordelijk voor de toenemende stilte. Japan is na de Verenigde Staten nog steeds de tweede economie ter wereld. Het is de grootste crediteurennatie ter wereld, maar tegelijkertijd is Japans fragiele financiële systeem een serieuze bedreiging voor de mondiale economie. Japans defensie-uitgaven behoren intussen tot de wereldtop.

Maar waar is het land in het internationale discours? Zo goed als verdwenen. Bij financieel topoverleg, zoals bij het Internationaal Monetair Fonds of de Wereldbank, is Japan aanwezig, maar onzichtbaar. Bij handelsoverleg zit het land traditioneel in de verdediging. Bij de kwestie-Irak speelde Japan geen rol van betekenis. Overleg van de zeven grootste industrielanden (G7) gaat voorbij zonder aandacht voor het Japanse standpunt, als er al een standpunt van betekenis te ontwaren valt. En zelfs bij de recente wrijvingen tussen de Verenigde Staten en Noord-Korea staat het land aan de zijlijn. De rol van bemiddelaar wordt daar gespeeld door China, the new kid on the block en de nieuwe lieveling van Westerse bedrijven én publieke aandacht. China's dynamiek werkt aanstekelijk, zoals Japans roerloosheid afstoot.

Toch lijkt er in de recente boeken over Japan sprake van een lichte kentering, vergelijkbaar met wat er in de jaren tachtig gebeurde. Eerst ging de aandacht uit naar deelaspecten van de Japanse malaise (zoals destijds naar die van Japans succes). Langzaam komt nu de zoektocht op gang naar de veelomvattende diagnose die destijds uitmondde in Van Wolferens standaardwerk.

Niet dat zo'n nieuw standaardwerk er al is. Maar een greep uit de recentere Japan-literatuur toont groeiende aandacht voor de cultuurhistorische wortels van de huidige malaise. De zomer van 2003 is daarvoor geen slecht decor. Traditioneel worden in augustus de atoombommen op Hiroshima (6 augustus) en Nagasaki (9 augustus) herdacht. Op 8 juli was het bovendien honderdvijftig jaar geleden dat de Amerikaanse marineofficier Matthew Perry Japan met zijn `zwarte oorlogsschepen' opende voor de rest van de wereld, en de modernisering van de Japanse samenleving begon. En vandaag is de verjaardag van de Japanse capitulatie in 1945, die getekend werd aan boord van het slagschip Missouri, waar de Amerikanen trots de speciaal overgebrachte oude vlag van Perry lieten wapperen.

In Inventing Japan geeft de journalist, schrijver en Japan-kenner Ian Buruma de politieke geschiedenis van het land weer over een periode die loopt vanaf Perry's aankomst tot de Olympische Spelen in 1964 in Tokio. Het boek omspant daarmee de twee perioden van grote omwentelingen die Japan doormaakte. Bij de eerste, de Meiji-restauratie, werd het oude Shogunaat in 1868 vervangen door een politiek systeem waarin de keizer (voorheen een zuiver decoratieve figuur) in het brandpunt van de macht werd geplaatst.

Buruma schetst hoe Japan, na eeuwen van isolatie, in het Westen de ingrediënten vond van wat daarna pas als typisch Japans zou gaan gelden. Gezanten en geleerden keken naar de Franse en de Amerikaanse staatsinrichting, maar kozen uiteindelijk het Pruisische model, waarin van volkssoevereiniteit geen sprake was. De Europese rechtvaardiging van het kolonialisme, inclusief de bijbehorende superioriteit van het eigen volk, vielen in vruchtbare aarde. En van het voorheen met wortel en tak bestreden christendom werd opgestoken dat volledige loyaliteit aan het hogere makkelijker te bereiken was als men in één god geloofde. De keizer, inmiddels verhuisd van Kyoto naar de tot `Tokio' omgedoopte stad Edo, zou daarvan de belichaming worden. Naast een wereldlijke regering was er de keizerlijke almacht, waaraan het leger exclusieve loyaliteit verschuldigd was. Het leger diende zich niet met politiek bemoeien maar, schrijft Buruma, er zat een weeffout in het systeem. Als `een van de meest invloedrijke documenten in de recente Japanse geschiedenis' haalt hij het Voorschrift voor Soldaten en Matrozen aan dat in 1882 door de keizer werd aangereikt aan de troepen, die het uit hun hoofd moesten leren. ,,Wij zijn Uw Hoogste bevelhebber. Onze verhouding tot U zal de intiemste zijn, omdat wij op U rekenen als Onze ledematen, en U naar Ons opkijkt als Uw hoofd.''

Deze identificatie van nationalisme met militarisme heeft zijn oorsprong in de samurai-cultuur achter de Meiji-restauratie, maar de nieuwe staatsinrichting zorgde er ook voor dat de scheiding tussen leger en politiek onhoudbaar bleek. `Als de soldaat enkel loyaal kon zijn aan de goddelijke monarch', aldus Buruma, `was het kennelijk legitiem om te rebelleren tegen burgerlijke leiders die de keizerlijke wil leken te negeren'. Die houding dreef het ontembare militarisme achter Japans expansie vanaf de jaren dertig.

Japans tweede revolutie was die van na de oorlog, toen de staatsinrichting onder supervisie van de Amerikaanse generaal MacArthur werd herschreven. Mét behoud van de keizer, maar zonder diens goddelijke status, en aanvankelijk zonder leger van betekenis. Maar ogenschijnlijk mocht het Amerikaanse model dan zijn intrede doen, de vooroorlogse reflexen bleken hardnekkig. De grote industriële conglomeraten die eerder waren verrezen bleven vrijwel onaangetast, evenals de onontwarbare vervlechting van overheidsbureacratie, banken, bedrijven en de Liberaal-Democratische Partij, die sindsdien vrijwel onafgebroken aan de macht is geweest.

Wie de problemen van het huidige Japan wil verklaren, kan dan ook beter zoeken naar continuïteit dan naar verandering. Zie de rode draad die Alex Kerr ontwaart in de Japanse houding ten opzichte van het Westen, sinds Perry's aankomst in 1853. `Internationaliseren betekende zoveel als: al het noodzakelijke van het Westen overnemen met als doel datzelfde Westen buiten de deur te houden.' En, even belangrijk, er zit nog steeds geen rem op de bureaucratie.

Waar dat toe kan leiden illustreert Kerr (die sinds zijn jeugd in Japan woont en als eerste buitenlander de Japanse versie van de Pulitzer Prize won) met zijn boek Dogs and Demons: een deprimerend verslag van de manier waarop in Japan ruimtelijke ordening, milieubeleid en populaire cultuur elkaar in een houdgreep hebben. Openbare werken zijn, niet alleen in Japan, van oudsher al een bezigheid waarbij bureacraten en bedrijven elkaars belangen dienen. Maar nergens is die symbiose zo hecht en zo uit de hand gelopen als in Japan. Zeker sinds door het economische stimuleringsbeleid van de jaren negentig enorme sommen geld door de overheid naar de bouw zijn gepompt. In 2000 ging 9 procent van de Japanse overheidsbegroting naar publieke werken (vergeleken met één procent in de Verenigde Staten). Een op de tien Japanners werkt nu in de bouwsector (in het Westen een op de twintig) en als de indirecte werkgelegenheid wordt meegenomen, eigenlijk een op de vijf. Japan fabriceert jaarlijks meer dan negentig miljoen ton beton, tien miljoen ton meer dan de Verenigde Staten. Dat wil zeggen dat Japan per vierkante meter land dertig maal zoveel beton stort als de Verenigde Staten.

Dat is te zien ook. Van de 113 grotere rivieren in Japan zijn er nu 110 ingedamd of omgelegd. De rivieren zelf liggen in betonnen bakken, op grond van een formeel beleid van waterbeheersing waarvan niemand weet of dat ergens op slaat. Het land telt inmiddels tweeduizend betonnen dammen, en er moeten er nog eens vijfhonderd bijkomen. Van de Japanse kustlijn tenslotte is een onvoorstelbare zestig procent versterkt met beton en met `tetrapoden': een soort betonnen tafels met vier poten die zijn bedoeld om erosie tegen te gaan, maar waarvan recent onderzoek aantoonde dat ze het afkalven van de kust misschien juist bespoedigen. Ook de oude keizerlijke hoofdstad Kyoto, door de Amerikanen in de oorlog niet gebombardeerd op grond van zijn unieke cultuurhistorische betekenis, is in vredestijd onherkenbaar verminkt door de bouwwoede. Kerr wijdt er een deprimerend hoofdstuk aan.

Het principe dat het Westen moet worden gebruikt om het buiten de deur te houden, komt terug in Japan's Policy Trap van Akio Mikuni, een nationaal bekende dwarsligger in Japans financiële sector, en R. Taggart Murphy, een voormalige bankier en tegenwoordig hoogleraar internationale studies aan de Tsukuba Universiteit. De oorlog mag dan al bijna zestig jaar voorbij zijn, betogen zij, Japan heeft nog steeds een oorlogseconomie. Centraal daarin staat het koste wat kost bereiken, handhaven en uitbouwen van een overschot op de betalingsbalans. Import van goederen, diensten en kapitaal wordt, sinds het begin van Japans moderne ontwikkeling, op het obsessieve af vermeden. Invoer betekent immers afhankelijkheid van het buitenland. Uitvoer, het verdienen van geld aan het buitenland om het daarna aan datzelfde buitenland weer uit te lenen, garandeert juist soevereiniteit.

Sparen van dollars is daarbij het uitgangspunt geweest. Het stimuleren van de binnenlandse consumptie juist niet. Het bevorderen van winnaars, bedrijven die de buitenlandse markten konden veroveren, ging hand in hand met het op de been houden van verliezers die werden afgeschermd van buitenlandse concurrentie.

Mikuni en Taggart laten overtuigend zien hoe dit systeem uit de hand is gelopen. Wie naar het huidige Japan kijkt, ziet een papieren welvaart die onvoldoende is neergeslagen in het persoonlijke leven van de hardwerkende, kleinbehuisde burger. Een gigantisch spaaroverschot, dat merendeels in dollars is belegd, staat tegenover een enorm overheidstekort. Het financiële systeem is nooit toegesneden op het nemen van risico's door particulieren. Als tegenprestatie voor het dirigeren van bankleningen aan de industrie, nam de staat in de praktijk het kredietrisico van de banksector over. Nu diezelfde banken zuchten onder slechte leningen aan bedrijven die op papier failliet zijn, is het daarom voor de bureaucratie zo lastig om een harde sanering door te voeren. Het probleem is door haarzelf in het leven geroepen en de politiek-economische elite, betogen Mikuni en Murphy, staat of valt met het handhaven van het systeem.

Toch is `demobiliseren' van de Japanse oorlogseconomie volgens hen de enige remedie. Maar hoe groot zal de pijn zijn? Het afschrijven van alle slechte leningen – een bedrag dat vergelijkbaar is met bijna tweemaal de Nederlandse staatsschuld – kan er in theorie voor zorgen dat banken weer daadwerkelijk gaan lenen en nieuwe initiatieven de economie revitaliseren. Maar, beargumenteert economisch journalist Richard Katz in Japanse Phoenix, wat daadwerkelijk zou moeten gebeuren is dat alle bedrijven achter die slechte leningen zou moeten worden toegestaan ook daadwerkelijk failliet te gaan. Dat is veel, erg veel gevraagd van `een bureaucratie die nooit heeft geweten hoe zij met haar fouten om moet gaan'.

Daarmee is de circel rond. Japans economische probleem is politiek. De uitweg uit de huidige malaise is dus ook politiek. Japan moet veranderen, concluderen alle auteurs. Die constatering is gratuit. Kan en zal Japan ook veranderen? Mikuni en Murphy zijn somber, en achten de kans groot dat er een grote economische kladderadatsch voor nodig is, met desastreuze consequenties voor de rest van de wereld. Katz is optimistischer. Hij gelooft dat Japan over tien jaar zichzelf zal hebben heruitgevonden en opnieuw een leidinggevende rol zal krijgen in de wereldeconomie. Het alternatief is niet zozeer de instorting van de Japanse economie, maar eerder een `verdere verroesting'.

Kerr concludeert op zijn beurt, na 385 pagina's goed gedocumenteerde culturele zelfdestructie, dat Japan te rade moet gaan bij zijn morele en culturele waarden van vóór de modernisering die intrad na Perry's komst in 1853. `Veel van wat vandaag de dag wordt geparadeerd als typisch Japans, zou onherkenbaar zijn voor de werkers van het oude Edo.'

Het `uitgevonden' Japan (Buruma) is aan restauratie toe. Maar hoe? `Ik denk aan het aantal malen (..) dat Japanners mij serieus vertelden dat zij wensten dat de zwarte schepen [van Perry] opnieuw zouden komen, om het politieke systeem te deblokkeren', schrijft Buruma. Alleen buitenlandse druk kan volgens die Japanners de knoop ontwarren waarin de geïsoleerde Japanse samenleving is vastgeraakt. Buruma: `Ik begrijp wat ze bedoelen, maar toch kijk ik uit naar de dag waarop de Japanners zichzelf bevrijden en de zwarte schepen eindelijk vaarwel zeggen, omdat zij ze niet langer nodig hebben.'

Ian Buruma: Inventing Japan, 1853-1964. Random House (Modern Library), 194 blz. €26,50. De Nederlandse vertaling, `De uitvinding van Japan', verschijnt half september bij De Bezige Bij, €19,50

Akio Mikuni en R. Taggart Murphy: Japan's Policy Trap. Dollars deflation and the crisis of Japanese finance. (2002) Brookings Institution Press, 294 blz. €33,59

Richard Katz: Japanese Phoenix.

The long road to economic revival.

East Gate, 351 blz. €33,59

Alex Kerr: Dogs and demons. The fall of modern Japan (2001).

Penguin Books, 431 blz. €16,56

    • Maarten Schinkel