De waanzin komt weer op

Haar levensverhaal is zo tragisch dat zelfs wie nog nooit een beeldhouwwerk van haar heeft gezien en nog nooit een letter van haar heeft gelezen, het kan vertellen: Camille Claudel, minnares van de grote Auguste Rodin, waanzinnig geworden en opgeborgen in een gekkenhuis. Wie de biografie van Anne Delbée niet heeft gelezen, heeft toch op zijn minst de film gezien waarin Isabelle Adjani de hoofdrol speelt.

Alles wat we van haar weten kwam, tot nu toe, via derden en via de overlevering. Voor het eerst kunnen we nu Claudels eigen woorden lezen en daarmee haar eigen stem beluisteren. Dat is de verdienste van Anneke Alderlieste, die op zoek ging naar alle bewaard gebleven brieven van Camille Claudel, deze verzamelde, vertaalde en aanvulde met relevante brieven van haar correspondenten: van Rodin, van haar goedgezinde critici, van ambtenaren, van haar broer Paul, van haar moeder aan de directeur van het gesticht. Voor Camille Claudel. Een leven in brieven schreef Alderlieste een voorwoord en zinvolle verbindende teksten tussen de brieven.

Die eigen woorden, de eigen stem van Camille Claudel, zijn indrukwekkend. Niet door de literaire kwaliteit – die streefde ze in het geheel niet na – en ook niet door de hoeveelheid van de brieven – het zijn er enkele tientallen. Wat indruk maakt, is het taaie gevecht dat ze dagelijks voerde met praktische zaken die in die tijd weliswaar hoorden bij het leven van een beeldhouwster, maar die haar leven meer beheersten en bemoeilijkten dan je voor mogelijk had gehouden.

We lezen hoe Claudel soebat met haar opdrachtgevers om een voorschot te krijgen zodat ze het nodige materiaal kan kopen; hoe ze klaagt over werklui die onzorgvuldig met haar werk omgaan zodat er stukjes afbreken. Ze schrijft bedelbrieven naar potentiële maecenassen en naar critici die ze uitnodigt voor een bezoek aan haar atelier, ze dient bij de minister subsidieverzoeken in om bepaalde gipsen ontwerpen in brons te kunnen gieten. Ze verweert zich tegen criticasters die haar naakte figuren aanstootgevend vinden en ze moet belangrijke uitnodigingen afslaan omdat ze niet over de juiste kleding beschikt.

Dan zijn er de brieven aan en van Auguste Rodin en haar broer, de dichter en ambassadeur Paul Claudel. Daarin lees je de langzame ontluistering van een talentvol kunstenares, de aftakeling van een bovenmatig creatieve geest, die het in haar eentje niet bolwerkt. Je ziet de achterdocht toenemen tegenover mensen die haar in principe goed gezind zijn, je voelt de waanzin opkomen die tot de noodlottige dag leidt waarop ze onaangekondigd en zonder mededogen door mannen in witte jassen uit haar atelier wordt ontvoerd.

Harteloos zijn de brieven van haar moeder aan de directeur van het gesticht, waarin ze haar dochter ieder contact met de buitenwereld verbiedt en waarin ze, ook decennia later nog, weigert de mogelijkheid van Claudels terugkeer in de maatschappij te bespreken. `Bittere spijt dat ik haar zo lang alleen heb gelaten', schrijft Paul Claudel in zijn dagboek, als zijn zuster daar al dertig jaar zit. Natuurlijk, het was allemaal bekend, maar de blik van binnenuit is schrijnend nieuw.

Anneke Alderlieste: Camille Claudel. Een leven in brieven. Meulenhoff, 261 blz. €19,50