De vingerhoedradio

In een serie over heruitgegeven klassieken deze week `A Clockwork Orange' van Anthony Burgess en `Fahrenheit 451' van Ray Bradbury. (Beide vertaald door C. Buddingh' en verschenen in de Flamingo-reeks van Ambo/Anthos, 10 euro.)

Een briljante boekverfilming is een bedreiging voor de literatuurliefhebber. Al was het maar omdat je de roman die eraan ten grondslag ligt niet meer onbevangen kunt lezen. Neem Stanley Kubricks A Clockwork Orange (1971), bij de première controversieel wegens `ultra-violence' en dertig jaar later nog steeds een geestige, angstaanjagende en uitzinnig vormgegeven toekomstvisie. Geholpen door de sublieme soundtrack (met opzwepende bewerkingen van `the great Ludwig Van') hebben Kubrick en zijn overrompelende hoofdrolspeler Malcolm McDowell zich A Clockwork Orange toegeëigend. Anthony Burgess (1917-1993) had het nakijken; zijn experimentele toekomstroman uit 1962, geschreven in een mengeling van archaïsch Engels en jongerentaal met Russische leenwoorden, wordt heel wat minder gelezen dan een meesterwerk verdient.

Het is dan ook gerechtigheid dat A Clockwork Orange een ereplaats heeft gekregen tussen de Flamingo Film Klassiekers, een mooi vormgegeven nieuwe reeks vertalingen van boeken die aan de basis stonden van beroemde films. Burgess' originele titel, die verwijst naar de belangrijkste morele kwestie in de roman (is de geconditioneerde mens, de mens zonder vrije wil, nog wel een mens te noemen?), is dit keer gehandhaafd. Toen de vertaling van Cees Buddingh' in de jaren zestig voor het eerst verscheen, heette die Boze jongens, en dat was niet de enige twijfelachtige beslissing. Net als in Amerika werd A Clockwork Orange gepubliceerd zonder het laatste hoofdstuk, waarin de jeugdcrimineel Alex na een leventje vol seks en geweld – en de gedoemde pogingen van staatswege om daar met extreme gedragstherapie iets aan te doen – zijn wilde haren verliest. Gelukkig heeft Potter-vertaler Wiebe Buddingh' voor deze nieuwe editie de ontbrekende tien bladzijden vertaald.

En dus kunnen we nu de volledige Clockwork in het Nederlands lezen. Nou, Nederlands... Buddingh' maakte van het slang van Alex een quasi-hip Hollands dat vooral in het begin nogal moeilijk leest. `Wat zal het alzo wezen, hè?' luidt het begin van Deel Een. `Daar was ikke, dat is Alex, en mijn drie mieskies, dat is Pete, Georgie en Maf, en die deed z'n naam eer aan, en we zaten in de Korova-melkbar te razzoedatten wat te doen die avond, een sneipe donkere kille winterhufteling, zij het droog evenwel.' Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat dit omslachtiger en in elk geval minder ritmisch is dan het `Engels' van Burgess: `What's it going to be then, eh?' There was me, that is Alex, and my three droogs, that is Pete, Georgie and Dim, Dim being really dim, and we sat in the Korova Milkbar making up our rassoodocks what to do with the evening, a flip dark chill winter bastard though dry.'

Het duurt in het Nederlands misschien langer dan in het Engels voordat je in het boek doordingt – de verklarende woordenlijst achterin is geen overbodige luxe. Maar je wordt niettemin snel meegevoerd in de toekomst van Burgess: een universum van verloederde stadswijken, zinloos geweld en een zwakke overheid die agressieve jongeren rekruteert om de jeugdcriminaliteit te bestrijden. Het grootste verschil met de wereld van vandaag zit 'm in de taal. Burgess suggereerde begin jaren zestig dat de supermacht Rusland cultureel de grootste invloed in de nabije toekomst zou worden. Maar dat bleef Amerika – zodat de huidige jongerentaal wemelt van de Engelse (hiphop-)uitdrukkingen. Wat Burgess ook niet voorzag was de invloed van taal en cultuur van immigrantengroepen. Later zou hij dat goedmaken in zijn Orwell-parodie 1985 (1984), waarin hij Engeland schetst onder een moslimdictatuur.

Burgess liet zich meer inspireren door de taal van James Joyce dan de profetische maatschappijvisie van George Orwell. Als toekomstroman is A Clockwork Orange minder serieus dan Ray Bradbury's vijftig jaar oude (en door François Truffaut in 1966 verfilmde) Fahrenheit 451, dat ook als Flamingo Film Klassieker verscheen. Bradbury (82) voorspelde onder meer de walkman (de `vingerhoedradio', bijgenaamd `zeeschelp'), de vingerafdrukscanner (het `handschoengat'), de interactieve televisie en schietpartijen op school. Maar de kracht van Fahrenheit 451 ligt vooral in zijn beeld van een versnelde cultuur waarin je als voetganger verdacht en als zondagsrijder strafbaar bent. De burgers van een totalitair geregeerd Amerika leven in een constante staat van afhankelijkheid, van drugs en van verslavende soaps. Emoties zijn taboe. Boeken, en alle andere vormen van intellectuele kennisoverdracht, zijn verboden. Huizen waarin ze worden aangetroffen, worden door speciale brandweerbrigades verbrand, soms met bewoners en al; de titel van de roman verwijst naar de temperatuur waarbij papier vlam vat.

In deze nachtmerrie-achtige toekomst komt de brandweerman Guy Montag tot inkeer, dankzij een buurmeisje dat hem in aanraking brengt met de natuur en het leven dat ooit, in een niet eens zo ver verleden, gewoon was. Uiteindelijk kiest hij voor het verzet, dat zich in de bossen buiten de steden schuilhoudt en dat zich tot doel heeft gesteld de belangrijkste boeken uit de wereldgeschiedenis uit het hoofd te leren, opdat iedereen een boek `wordt': `Ik ben Plato's Republiek [...] Laat ik je voorstellen aan Jonathan Swift'.

Als roman legt Fahrenheit 451 het af tegen A Clockwork Orange. Het verhaal, waar het vier jaar eerder verschenen Nineteen Eighty-Four sterk doorheen schemert, is niet erg verrassend opgebouwd en gestileerd; Bradbury's hoofdpersoon spreekt minder tot de verbeelding dan Orwells Winston Smith. Maar Fahrenheit 451 blijft wel actueel. De inleider van de vertaling, filmjournalist Gawie Keyser, wijst erop dat de vlucht van Montag naar de bossen – voor het oog van de camera's – een griezelige overeenkomst vertoont met de live-achtervolging van de van moord verdachte O.J. Simpson in 1994.

Ook Bradbury's schetsen van de ontwikkeling van een informatie- naar een amusementsmaatschappij zouden vandaag geschreven kunnen zijn; en in de imagoproblemen van een rijke supermacht (`Haat men ons daarom allemaal zo?') zullen veel moderne Amerikanen zich herkennen. Ach ja, een van Bradbury's helden had het goed gezien: `Goede schrijvers raken het leven voortdurend aan. Middelmatige strijken er vlug overheen. Slechte verkrachten het en laten het liggen voor de vliegen.'