De betekenis van het zoeken

In het zesde en laatste deel van een serie interviews met dichters over hun werk een gesprek met Lloyd Haft over diens psalmenvertaling. ,,Veel mensen die ik ken, doen smadelijk over religie.''

Lloyd Haft is sinoloog aan de Universiteit van Leiden. Hij is geboren en opgegroeid in Amerika en woont al 35 jaar in Nederland. Zijn poëzie schrijft hij meestal in het Nederlands, al komt er soms ook wel wat in het Engels tevoorschijn. In 1995 bewerkte hij, voor een nummer over de psalmen van het tijdschrift Parmentier, psalm 23. ,,Toen had ik zin om verder te gaan.'' Hij maakte een selectie van ongeveer 30 psalmen die hem aanspraken en waar hij wat mee kon beginnen. Die werden in 1998 uitgegeven onder de titel Ken u in mijn klacht. Hij ging door, en dit voorjaar verschenen alle 150 psalmen in zijn bewerking.

De psalmen zijn onder uw handen soms radicaal veranderd. Vond u dat nodig?

,,Ontzettend veel in die psalmen is aldoor hetzelfde. Er wordt heel veel in herhaald, dat doen we nu niet meer. Het lijkt bovendien vaak willekeurig waar een psalm begint en eindigt – soms begint er een met een emotie, gaat over op algemene uitspraken en eindigt met iets historisch zonder dat er een duidelijke eenheid is. Het lijkt wel of er maar een stuk of acht vaste motieven zijn waaruit alle psalmen geknipt en geplakt zijn: de geschiedenis van Israël, het motief `tóch zal de Heer mij redden', het `wees braaf dan zal het je goed gaan' – wat ik vervelend vind –, en – dat spreekt me juist aan – `anderen versmaden u maar ik zoek u juist'. Veel mensen die ik ken, doen smadelijk over religie. Als mens van deze tijd die op zijn manier religieus is, vind ik het niet leuk om zo gemarginaliseerd te worden. Dat is ook een van de redenen dat ik dit wilde doen. Ik dacht: als dit de dingen zijn die mij bezighouden dan moet ik daar ook voor uitkomen.

,,Wraak is ook een motief dat veel voorkomt, dat laat ik meestal weg. Als we na 2000 jaar nog niet verder zijn dan dat we God moeten vragen om onze vijanden te verdelgen... Wat ik wel soms doe is die vijand opvatten als een innerlijke vijand.

,,De wijze waarop al die motieven in de psalmen gecombineerd worden lijkt vaak willekeurig – die willekeur probeer ik te omzeilen door één motief of gemoedsgesteldheid als het belangrijkste element op te vatten.''

Zoeken

In uw gedichten is veel sprake van zoeken. De zekerheid van het geloof lijkt ver weg.

,,Wat dat betreft ben ik iemand van deze tijd. Het is nog niet eens zo lang geleden dat religieus zijn betekende dat je kon zeggen: dit is de waarheid en daar hoort deze levenspraktijk bij en als je daaraan meedoet zit je goed. Dat werkt bij mij niet meer zo. Ik geloof niet dat God altijd voor ons zal zorgen en ook niet dat er speciale sleutels bestaan waardoor je toegang krijgt tot de binnenste kring waar je beloningen wachten voor je oppassende gedrag. Maar wat dan?

,,Ik denk dat als je God zo voortdurend zoekt, het zoeken zelf ook iets betekent. Ik heb de intuïtie dat dat zoeken een object heeft.''

Dat nooit gevonden kan worden.

,,Ik vind dat je dat ook in het origineel kunt lezen. Het is de biddende stem van de mens die je in de psalmen hoort, die zegt: God u laat ons in de steek, u heeft ons verstoten, u heeft zich afgewend, maar tóch houd ik vol dat u goed bent. Die mens stelt dat gewoon.''

Maar de psalmist kan God ook laten praten of hem citeren. Dat doet u nooit.

,,Nee, dat zou ik nooit doen. Dat heeft te maken met de status van de Schrift, voor gelovigen in het verleden was dat het woord Gods. Voor mij is de Schrift één van de dingen. Die wordt op zoveel verschillende manieren gelezen en is zo tegenstrijdig dat je daar onmogelijk een zekerheid aan kunt ontlenen.''

U houdt er niet van als mensen over `de wil van God' spreken?

,,Ik geloof misschien wel dat God een wil heeft, maar niet dat ik die wil kan kennen. Sommige mensen hebben blijkbaar een subjectief gevoel van zekerheid dat voor hen doorslaggevend is. Dat heb ik niet. Als ik nu ineens Jezus Christus hier aan tafel zag zitten die tegen mij zei: `Lloyd, wat heerlijk dat je die psalmen doet, ga zo verder' dan is dat voor mij geen openbaring, dan zou ik zeggen: ai, een hallucinatie, niet zo best. Je wantrouwt nu eenmaal je eigen belevingen, je weet hoe verschillend je stemmingen kunnen zijn.''

Over uw psalmbewerkingen. U hebt voor de Hebreeuwse poëzie kenmerkende vormen zoals parallellie, gevarieerde herhaling, chiasme, niet willen handhaven?

,,Nee, dan kreeg je juist weer erg veel herhalingen en die wilde ik vermijden. Die zijn functioneel in de liturgische context waarin de psalmen gebruikt werden, niet als je thuis zit te lezen. En daar zijn deze gedichten voor bedoeld.''

Sommige psalmen zijn in uw bewerking enorm kort geworden: psalm 37 bijvoorbeeld bedraagt in het origineel rond de 90 regels, in uw bewerking nog maar drie.

,,Toen ik besloot om alle 150 psalmen te doen, zat ik met het probleem dat ze zo op elkaar lijken. Daarom moest ik soms heel radicaal zijn. Er zijn bovendien psalmen bij waar je als modern mens weinig mee kunt. Psalm 37 is er zo een, al dat gedoe over de goddelozen.''

Gods tijd

Laten we eens preciezer kijken naar psalm 90. Hoe gaat u zo'n psalm dan lezen als u van plan bent die te bewerken?

,,Ik kijk: wat staat er nu eigenlijk, waar gaat het om. In de eerste verzen gaat het om de continuïteit in de menselijke beleving. `Ons een toevlucht geweest' etc. dat betekent zoiets als: ons bewustzijn heeft zich al die geslachten met u beziggehouden. Zelfs van de stoffelijke schepping, de bergen, de aarde, is degene die aan het woord is niet onder de indruk: er is niets dat langer bestaat dan onze aandacht voor u.

,,Dan gaat het over hoe Gods tijd verschilt van die van het mensenleven.

,,Vers 7: `Wij vergaan door uw toorn', waarom nu weer door uw toorn, waarom is het niet zo dat we gewóón vergaan. Toorn heeft associaties met woede, met woeden, wat je ook van vuur zegt. Het is gevaarlijk en ontzagwekkend en het geeft licht. Ik vat die toorn niet op als toorn speciaal tegen de mensen, maar als een dusdanig woeden dat het ook van alles kapot kan maken, als een drang bij God.''

Er staan toch wel veel woorden die op boosheid duiden: grimmigheid, zonden, verbolgenheid.

,,Ja. Misschien heeft dat ook te maken met wat er in vers 12 staat: ons hart is nog niet wijs. Wij kunnen er nog niet bij, wij begrijpen het niet. In vers 14 is het de bedoeling dat wij juist blij zijn met God, en in 16 wordt er nogmaals gevraagd om begrip `laat uw werk aan uw knechten gezien worden'.

,,Dan tot slot `bevestig het werk onzer handen', wij zijn er niet zeker over, u kunt zorgen dat wij slagen.''

Zo leest u het. En hoe gaat u dan te werk?

,,Dan is de vraag: wat doe ik daarmee. Wat zijn de punten die mij aanspreken. Meteen die eerste verzen, het menselijk zich bewust zijn van God, dat heb ik ook.

,,Vers 7 tot 12, dat idee dat wij niet deugen, dat u daarom toornig bent en ons laat lijden – waarom moet het altijd weer iemands schuld zijn? Het leven is gewoon te groot en te onhandelbaar.

,,In de laatste verzen wordt dan weer een toenadering gezocht: `keer weder', alsof God zich van ons afgewend had. Ik wil het liefst wel met u omgaan en daar blij over zijn.''

En dan schrijft u op een gegeven moment dit gedicht dat begint met `toch'.

,,Het contrast tussen de tijd van God en hoe kort ons leven is wordt bij mij uitgedrukt in `toch' – hoewel mijn leven zo kort is en ik zo beperkt ben, heb ik toch tijd om u te vermoeden.''

Zo'n woord als `bergen' wilt u er wel in houden.

,,Het gaat om de mensen, de bergen weten van niets. Zelfs in de blik van één mensenoog dat maar tijdelijk bestaat, zit meer bewustzijn dan in die hele berg. Wij zouden voor God belangrijker moeten zijn dan de bergen. Dat zegt de mens tegen God – dat zijn omgang met God er meer toe doet dan die materiële schepping.''

Hoe komt u aan het woord `gloeden'?

,,In gloeden zit warm maken, licht geven – denk aan die toorn, die woede – maar ook bewustzijn. `U gloedt ook mij': Ik ben onderhevig aan het vurige dat van u uitgaat, zowel in de zin van bezieling als van gevaar.''

Gelijkheid

U schrijft `ik ben gezien' en in veel van de andere psalmen noemt u God `ziende'. Waarom is dat zo belangrijk?

,,Dat is mijn affiniteit met de mystici die ons soms wel als gedachten van God beschrijven – dat spreekt mij zeer aan. Dat zou een continuïteit tussen de mensen en God kunnen zijn. De mens heeft een bewustzijn waarin God een plaats heeft, als God zelf een soort bewustzijn is waarin wij een plaats hebben, dan is er een gelijkheid. In het Hebreeuws betekent het woord voor `oog' ook `bron' – de bron waaruit de dingen voortkomen, het oog dat de dingen ziet. Misschien is dat een godsvoorstelling die nog wel doenlijk is in deze tijd, een waar geen ingrijpen bij hoort.''

Wat betekent: 'alles wat van mij heeft willen worden'?

,,Je had altijd meer willen worden dan je bent, je zou net zo eeuwig willen zijn als al die geslachten bij elkaar. Het door God gezien worden, is onze eeuwigheid. Als je er echt van overtuigd was dat je in Gods bewustzijn voorkwam, dan was je daarmee eeuwig.''

Hoe komt u tot die vraag: 'Heeft u spijt van mij'?

,,Die komt voort uit vers 11 en 12 van het origineel, waarin sprake is van Gods boosheid en van dat onze kennis ontoereikend is. De mens vraagt: val ik u tegen omdat ik het maar niet vatten kan. Ik kon u niet zien zoals u had gewild, ik zag in u het onheil – een beperkte en niet erg geslaagde manier van zien. Dat zeg ik dan alvast.''

U schrijft `zal', tegenwoordig toekomende tijd, en `kon', verleden tijd. Waarom?

,,Als ik straks dood ben, toekomende tijd, heb ik dan gefaald omdat het me niet lukte om u te zien, verleden tijd? Is dat erg, had ik het beter moeten doen? Dat is wat er in mijn versie overblijft van dat schuld-denken.''

U vat `terug zien' op als `terug kijken', God kijkt heen en wij kijken terug?

,,Ja. U ziet mij wel – ik kan uw zien niet beantwoorden. En `kwalijk' in `kwalijk zien' bedoel ik ook in de zin van: mijn proces van zien was niet goed.''

U eindigt het gedicht in de verleden tijd: liever zag ik niets dan dat niets was. Had dat ook in de tegenwoordige tijd gekund?

,,Die verleden tijd is als irrealis bedoeld. Ik zou liever hebben dat het zo was dat ik niets zag, dan dat er niets zou zijn om te zien.''