Arme jongen uit Java die topterrorist werd

Hij wordt dezer dagen wel de `Osama bin Laden van het Verre Oosten' genoemd, maar die vergelijking gaat op een aantal punten mank. Ridwan Isamudin, alias Hambali – het zijn allebei schuilnamen – komt niet uit de jetset, maar uit een straatarme familie. Zijn hoofd staat op geen enkel t-shirt – bijna niemand weet hoe hij er uitziet – en hij stuurt nooit video's met verdoemingen en instructies de wereld in. Hambali is geen icoon en hult zich graag in een mantel van geheimzinnigheid. Hij kent Osama – dat wel – en als de Amerikanen gelijk hebben, is hij zelfs diens `point man' in Zuidoost-Azië.

Hambali belichaamt de internationalisering van het moslimradicalisme dat al vóór de Tweede Wereldoorlog ontkiemde in Indonesische bodem. Nadat het in de jaren '60 een kopje kleiner was gemaakt, ging het in de jaren '70 ondergronds. De emigranten kwamen in de jaren '80 in contact met gelijkgezinden uit andere windstreken.

Hambali – `dienaar Gods' – werd op 4 april 1964 geboren in Kampung Pabuaran, een gehucht in het West-Javaanse regentschap Cianjur. Hij was het tweede van de elf kinderen van – de inmiddels overleden – Ending Isamudin en diens vrouw Eni Maryani. Zij gaven hem de naam Encep Nurjaman en zo werd hij bijgeschreven in het geboorteregister. Later zou hij de tweede naam van zijn vader in één van zijn schuilnamen verwerken.

Het platteland van West-Java was de bakermat van de radicale beweging Darul Islam (huis van de islam), een radicale onderstroom van de Indonesische revolutie, die al vóór de Japanse bezetting samenwerking met het Nederlandse koloniale gezag afwees. De imam, S.M. Kartosoewirjo, riep in 1949 in West-Java een islamitische staat uit, die gewapenderhand delen van West-Java overnam. De kernen van deze tegenstaat werden geleidelijk opgerold door het Indonesische leger en Kartosoewirjo werd in 1962 geëxecuteerd. Menige plaatselijke schriftgeleerde bleef echter vasthouden aan het ideeëngoed van DI. De jonge Encep, die in zijn dorp en later in het stadje Cianjur islamitische scholen bezocht, kwam ermee in aanraking.

Het leger beschouwde het islamitische fundamentalisme als staatsgevaarlijk. Toen de militairen onder leiding van generaal Soeharto in oktober 1965 een couppoging van linkse officieren neersloegen en de feitelijke macht overnamen, deden ze niet alleen het marxisme-leninisme, maar ook het fundamentalisme in de ban. Eén van de radicalen van het eerste uur was Abdullah Sungkar (geboren in 1937), telg uit een welgestelde, uit Jemen stammende familie van batikhandelaren in Solo, Midden-Java. Sungkar was de brug tussen twee generaties radicalen. Samen met zijn leeftijdgenoot Abu Bakar Ba'asyir uit Oost-Java richtte hij in de buurt van Solo een internaat op: Al-Mukmin (de ware gelovige), waar zij verkondigden dat de islamitische wet moet worden toegepast in alle domeinen van het leven en dat die toepassing macht vereist. Sungkar en Ba'asyir draaiden om die reden in 1978 de bak in en in 1985 weken zij uit naar Maleisië.

Encep Nurjaman had in 1984 de middelbare school in Cianjur afgemaakt en vertrok een jaar later eveneens naar `de overkant' om er de kost te verdienen in de handel. Na veel omzwervingen streek hij neer in Sungai Manggis, een dorpje 60 kilometer ten zuidwesten van Kuala Lumpur. In het plaatselijke schooltje onderwezen Sungkar en Ba'asyir hun compromisloze variant van de islam. ,,Ze spraken vooral over de jihad (heilige oorlog) tegen de christenen in de Molukken'', zegt Mior Mohammed Yuhana, de voormalige huisbaas van zowel Ba'asyir als Hambali. ,,Nu zie ik bijna elke dag wel een van mijn oude huurders op tv of in de krant.'' In Sungai Maggis woonde van 1996 tot 2000 ook Abdul Aziz alias Imam Samudera, het brein achter de bloedige bomaanslagen op Bali, oktober vorig jaar. Het dorpje Sungai Manggis is de geboorteplaats van Jema'ah Islamiyah (JI), een netwerk van moslimradicalen dat in Zuidoost-Azië een islamitische staat wil vestigen, en de kraamkamer van het terrorisme in de regio.

Mior herinnert zich een voorkomende, maar afstandelijke man die in maart 1991 totaal berooid voor Mior stond en zich voorstelde als Hambali. Hij had alleen enkele plastic zakken bij zich. Meubels hebben er nooit gestaan in zijn hut van zeven bij vier meter. Elektriciteit ging op aan één peertje. Vanaf 1994, herinneren huisbaas Mior en zijn buurman zich, ging het financieel steeds beter met Hambali. Hij ruilde het straatventerkarretje waarmee hij bij de moskee kebab verkocht in voor een auto en drie mobiele telefoons. Opeens had Hambali een bouwbedrijfje. Hij belde volgens latere politieverslagen voortdurend met de zwager van Osama bin Laden, Mohammed Khalifa, in de Filippijnen. Samen zouden zij het regelwerk hebben gedaan voor een golf van terreurdaden die dat land in 1995 had moeten ontwrichten. Maar aanslagen op de paus, op Bill Clinton en op twaalf Amerikaanse passagiersvliegtuigen die tegelijk zouden worden neergehaald met van de schouder afgevuurde raketten, mislukten allemaal.

,,Hambali was alleen spraakzaam over Afghanistan, waar hij drie jaar vocht als mujahidin tegen de Sovjets. Hij schepte op over zijn ontmoetingen met Osama bin Laden'', vertelt Mior die medio jaren '90 steeds vaker mensen uit het Midden-Oosten zag langskomen. De Maleisische politie en de Amerikaanse FBI vermoeden dat het ging om onder andere Khalid al-Mihdhar en Nawaz al-Hazmi, twee van de negentien `11 september-kapers', Zacarias Moussaoui, de zogenoemde twintigste kaper, en Taufiq Attash Khallad, de leider van de aanslag op de USS Cole, het Amerikaanse marineschip dat in oktober 2000 werd getroffen door een zelfmoordaanslag in Jemen. ,,Misschien heb ik al die mensen hier op het terrein gehad, zonder het te weten'', overwoog Mior. ,,Sommigen waren Arabisch, anderen blank. Ze kwamen meestal in het donker en vertrokken de volgende ochtend.''