Alle meningen moeten weg

Martin Walser provoceert vaak, gewild of ongewild. Zo behandelde hij in zijn autobiografische roman Ein springender Brunnen de nazi-tijd zonder het over Auschwitz te hebben: een doodzonde volgens de antifascisten maar voor Walser de enige manier om recht te doen aan het beperkte perspectief van een kind. En bij de uitreiking van de Friedenspreis, vijf jaar geleden, trok hij de oprechtheid van de naoorlogse Duitse schuld-en-boete-rituelen openlijk in twijfel, waarop men hem onmiddellijk uitmaakte voor antisemiet. Hetzelfde scheldwoord maar dan uit nog meer kelen trof hem toen hij, in de sleutelroman Tod eines Kritikers, de macht van een televisiecriticus hekelde die toevallig joods was.

Voor zijn eigengereidheid betaalt Walser een prijs. Die van het onbegrip, de vernedering, de verstoting. In elk geval ervaart hij dat zèlf zo. Zijn nieuwe boek Messmers Reisen gaat minder over reizen dan over het likken van wonden: hier geen provocatie maar gekwetste introspectie, hier geen man die strijdt maar eentje die lijdt – al vele jaren lang. Walser knoopt aan bij zijn aantekeningen in Messmers Gedanken uit 1985, dus gaan we terug naar een wereld waarin de DDR nog bestaat, waarin Ronald Reagan nog aan de macht is en waarin de Duitse hogesnelheidstrein nog niet ICE heet maar gewoon IC. En al die tijd heeft Martin zijn kwetsuren verzameld die hij nu aan ons geeft, omdat zij het kostbaarste zijn dat hij bezit, dat élk mens bezit: `Als niets je pijn doet, besta je niet', noteert hij.

Met een aan masochisme grenzende openhartigheid maakt Walser ons deelgenoot van zijn zwaktes, zijn kleinheid, zijn nietswaardigheid. Ook al is Messmers Reisen geen echt dagboek maar eerder een losse collectie schetsen en aforismen, en ook al verstopt de schrijver zich achter het doorgaans in de derde persoon opgevoerde personage Messmer, toch geeft hij zichzelf bloot. Daar komt een zekere ijdelheid bij kijken die hij direct afstraft. Messmer veracht hen die menen voor hun leed beloond te worden, lezen wij ergens, en in de hemel komen we sowieso niet. Zijn alter ego Martin Walser oefent zich in deemoed en religie staat dat ideaal maar in de weg, want het hebben van een geloofsovertuiging komt overeen met pure aanmatiging: `Men hoeft niet brutaal te zijn. Vroom zijn is voldoende.'

Trouwens, álle overtuigingen en álle meningen worden door deze toch nooit om opinies verlegen zittende schrijver gewantrouwd. Meningen zijn vooroordelen, weet hij; ze blokkeren zowel de echte communicatie als de zuivere waarneming. Wie goed wil luisteren en kijken moet van zijn meningen af – en zich niets aantrekken van het verwijt kleurloos en dom te zijn. Dom zijn pas degenen die met hun meningen willen imponeren of, erger nog, die met hun oordelen anderen proberen te diskwalificeren. Dom zijn de critici, de parasieten van de literatuur, die ook wanneer zij loven zich boven de schrijver stellen. Loven is hetzelfde als straffen: je doet het bij een van jouw welwillen afhankelijke ondergeschikte. Martin Walser wil niet afhankelijk zijn en in plaats van machtsongelijkheid wenst hij zich harmonie.

Zustimmung: dat is een van de meest voorkomende woorden in zijn notitieboek. Begrip zoekt hij, erkenning van zijn wezen, en de uiting van die oerbehoefte maakt hem sympathiek. Niet in zijn eigen ogen. `Ik bewonder mensen die weinig Zustimmung nodig hebben', schrijft hij hunkerend. Zo blijft hij bescheiden. Zo blijven de wonden open. Zo lijkt zijn niet provocerende en vast geen schandaal veroorzakende nieuwe boek toch meer op zijn wel provocerende en wel een schandaal veroorzakende boeken van eventjes geleden.

Het verlangen naar een waarneming zonder meningen komt overeen met de politiek incorrecte kinderblik in Ein Springender Brunnen. De weerzin tegen oordelende, veroordelende en zuiverheid vertrappende machtsmensen komt overeen met de wraak op de literatuurpaus in Tod eines Kritikers. En het gefoeter op de schuld-en-boete-rituelen in zijn ook tot boek verwerkte Friedenspreis-rede wordt, op een ander, individueler niveau, in Messmers Reisen gecontinueerd. Messmer haat boetelingen want dergelijke kruipers ondermijnen zijn gelijkheidsideaal. Maar zijn andere ideaal, dat van de deemoed, prijst het kruipen juist. De twee polen scheppen een precair evenwicht waar Walser kracht voor nieuwe vernederingen uit put.

`Zolang men geld moet verdienen moet men zich laten beledigen', schrijft hij gelaten, om er meteen heel egalitair aan toe te voegen: `Dat moet iedereen.'

Martin Walser: Messmers Reisen. Surhkamp, 191 blz. €22,73