Opkomst en verval van het fotogenieke New York

New York is de fotogeniekste stad ter wereld. Ik bedoel: je moet wel een kruk in de fotografie zijn, wil je op een rolletje van 36 opnames niet één toonbaar kiekje hebben gemaakt. Beroepsfotografen hebben hun oeuvre op New York gebouwd, filmproducenten vinden er hun locaties. Hoe komt dat? Omdat de stad alles heeft van de `bereikbare tijd', dat wil zeggen van de jaren waarover je opa en oma, of je overgrootouders nog uit eigen ervaring kunnen vertellen, tot en met het heden. Loop je in Madison Square Park, kijk je naar het Flatiron Building, dan zie je de wereldstad op de grens van de negentiende en twintigste eeuw. Rockefeller Center, het Chrysler Building zijn de jaren dertig. Tribeca met zijn pakhuizen versierd met gietijzeren pilaren, vèr voor de Eerste Wereldoorlog. Coney Island, idem. Dit alles is zo authentiek dat het niet valt na te maken. Bovendien is het in dagelijks gebruik. Overal is de menigte. New York is de stad van uitersten, dat is bekend. Het is de hoofdstad van de wereld, maar het is ook een ouderwetse stad, waar je door de geschiedenis loopt. Geen andere stad heeft het in die mate. Geen wonder dat New York veel fotoboeken veroorzaakt.

Zoals dat van Max Kozloff, New York, Capital of Photography, met de gelijknamige tentoonstelling die op het ogenblik te zien is in het Joods Historisch Museum. Waarom juist daar? Omdat Kozloff van mening is dat joodse fotografen een bijzondere band met New York hebben. Kozloff gelooft dat joodse fotografen anders naar de wereld kijken, en dus andere foto's maken. Vooral sinds het ontstaan van de street photography, mogelijk gemaakt door de snelle kleinbeeldcamera, hebben joden het stadsleven vastgelegd. De compacte camera is het gereedschap van het engagement. En `de' joodse fotograaf, zelf horend tot een minderheid, heeft een scherper oog voor minderheden. Hij kan niets anders. Zo is binnen de fotografie een herkenbaar joods oeuvre ontstaan.

Deze zienswijze heeft verzet en twijfel gewekt. Want als de stelling in haar algemeenheid zou opgaan, moest iedere minderheid op een eigen manier de camera hanteren. Heeft de Amerikaanse cultuur een zwarte traditie in de fotografie? Of een indiaanse? Je hebt ook heel rijke mensen die de fotografie als kunst beoefenen. Zou het niet interessant zijn, een tentoonstelling van hun werk te zien? Wie weet. Maar de zeer rijken vormen misschien wel de enige minderheid die zich niet als zodanig gedraagt. En de zwarte fotografie is er. Kozloff citeert in zijn essay de zwarte fotograaf Roy DeCarava, die in 1952 zei: ,,Ik wil Harlem vastleggen door de ogen van het Negervolk (...), werkend, spelend, op straat, pratend, dollend, lachend (...), ik wil de kracht, de wijdheid, de waardigheid van het Negervolk tonen. Niet de beroemden en de bekenden, maar de naamlozen (...), ik wil een creatieve uitdrukking, een vorm van diep inzicht en begrip dat, geloof ik, alleen een zwarte fotograaf kan geven.'' Minderheidsfotografie bestaat, in een opklimmende reeks van pregnantie. Het begint breed beschrijvend, met het vastleggen van een identiteit, en dan kan het zich vernauwen tot het uiterste, het politiek engagement waarin de fotograaf agitator is geworden.

De bezoeker van deze tentoonstelling hoeft zich overigens niet in deze discussie te verdiepen om ervan te kunnen genieten. De oudste foto is gemaakt in 1898, het volk downtown in Hester Street; de laatste in 2000 op een gekostumeerd bal voor rijke mensen. Alles van de stad is vastgelegd, jeugd, ouderdom, verval en constructie. Er zijn foto's die volmaakt in de definitie van Kozloff passen, andere die er hoegenaamd niets mee te maken hebben. Wat, vraag je je af, is dan de gemeenschappelijke noemer, ervan afgezien dat ze in New York zijn gemaakt. Waarom horen ze bij elkaar?

Mijn antwoord geef ik door een paar voorbeelden. De foto in 1905 gemaakt door Lewis Hine, Climbing into America – immigranten, in hun beste kleren, wat armzalige bagage, hun gezicht geladen met onzekerheid, in de rij op een trap naar een kantoor op Ellis Island. Op weg naar de American Dream. Dan een foto uit 1922, van Ted Croner, zonder titel. De winter, sneeuw, silhouetten van een paar voorbijgangers tegen het grijze decor van de zware kantoorgebouwen. Naamlozer kan het niet. De foto van Ben Sahn, 1933, ook zonder titel. Twee schoenpoetsers op de verlaten achtste Avenue voor het grote postkantoor. Het is winter, in de grote depressie. En een curiositeit, een foto van Georg Grosz, A Face in the Crowd, gemaakt kort na zijn aankomst in 1933. (Hij heeft er tot 1959 gewoond). Die foto is naar de maatstaven van het vak mislukt. De film was niet gevoelig genoeg, of de sluiter te langzaam om het beeld scherp te maken. Maar hij heeft het vastgelegd: de naamloosheid.

New York heeft alles. Het zou nog een heel werk zijn, een verzameling foto's samen te stellen die niet de moeite waard is. Maar wie zich van het hoog gemiddelde wil onderscheiden, moet kiezen. Kozloff heeft de keuze gemaakt, het is hem gelukt, misschien enigszins anders dan zijn bedoeling was. Hoe dan ook: dit is vooral een collectie van de melancholie.

Tentoonstelling: New York, Capital of Photography. T/m 28 sept in het Joods Historisch Museum, Jonas Daniël Meijerplein 2-4/Nieuwe Amstelstraat 1, Amsterdam. Dagelijks 11-17u. Inl: 020-6269945 of www.jhm.nl