Onderwijsraad: centrale toets voor leerlingen van zes jaar

Zesjarige basisschoolleerlingen moeten een toets afleggen om hun niveau te kunnen bepalen. Aan het eind van de basisschool moet dan door middel van een eindtoets worden vastgesteld wat de toegevoegde waarde van de school is geweest.

Dat schrijft de Onderwijsraad in een advies aan minister Van der Hoeven (Onderwijs). De minister had haar belangrijkste adviesorgaan op 18 april om een advies over het vaststellen van toegevoegde waarde van het onderwijs op basisscholen gevraagd. Het voornemen om een begin- en een eindtoets in te stellen om de kwaliteit van het onderwijs te kunnen bepalen, stond al in het regeerakkoord van zowel het eerste als het tweede kabinet-Balkenende.

De komende vier tot zeven jaar moeten volgens de raad verschillende toetsen worden ontwikkeld, waarmee ,,ten minste op de leergebieden Nederlands en rekenen/wiskunde getoetst wordt''. De scholen zouden zelf toetsen mogen kiezen, maar alle toetsen moeten `kern-items' bevatten. Zo behoudt de school haar keuzevrijheid, maar kan de overheid toch de prestaties van alle scholen vergelijken. Een ,,nog nader te bepalen organisatie'' zou dan de toegevoegde waarde per school moeten berekenen, van alle scholen moeten vergelijken en aan elke school rapporteren.

De Onderwijsraad keert zich expliciet tegen een koppeling van toegevoegde waarde en de financiering van scholen. De raad vreest daardoor een ,,ongewenst selectiebeleid'' en is van mening dat de resultaten van de vergelijking van begin- en eindtoets ,,niet de enige graadmeter voor kwaliteit'' is.

De Algemene Onderwijsbond (AOb) is tegen de invoering van een centrale begintoets. Volgens de bond is de toegevoegde waarde van basisonderwijs moeilijk vast te stellen en is bovendien het niveau van jonge kinderen nauwelijks te meten. Het willen bepalen van de toegevoegde waarde is volgens de bond daarom niet reëel. Het verbaast de bond dat de Onderwijsraad ondanks de genoemde ongewenste neveneffecten toch adviseert de toetsen te ontwikkelen en voorstelt een proefproject voor een beperkt aantal scholen te beginnen.

Minister Van der Hoeven heeft het advies vandaag naar de Tweede Kamer gestuurd. Volgens haar biedt het ,,waardevolle aanknopingspunten voor mijn beleid''. Zij zal een standpunt formuleren na de afronding van een inspectie-onderzoek naar de meerwaarde van een begintoets. [Vervolg TOETS: pagina 3]

TOETS

Ook invloed van gezin meewegen

[Vervolg van pagina 1] De Onderwijsraad vindt dat in een centrale databank niet alleen de gegevens over de toegevoegde waarde moeten worden opgeslagen, maar ook andere gegevens, zoals het percentage leerlingen dat een of meer jaren vertraging oploopt op de basisschool en het percentage uitvallers.

De raad onderstreept dat het vaststellen van de toegevoegde waarde ,,een complexe zaak'' is. Nog los van het vóórkomen van meetfouten moet rekening worden gehouden met factoren buiten de school, zoals de invloed van het gezin. Onderwijsbond AOb is onder meer om deze redenen tegen het bepalen van de kwaliteit van basisscholen aan de hand van een begin- en een eindtoets.

De AOb wijst er bovendien op dat er al veel toetsen voor basisschoolleerlingen bestaan. Volgens de bond worden de leerlingen voortdurend getoetst om te zien hoe hun ontwikkeling verloopt. De bond acht dat van groot belang voor het onderwijs en steunt het verbeteren van het leerlingvolgsysteem. De AOb raadt zijn leden af mee te werken aan de ontwikkeling van een systeem van begin- en eindtoetsen.

De resultaten van de Eindtoets Basisonderwijs van de Citogroep worden tegenwoordig al openbaar gemaakt, net als gegevens over onder meer zittenblijvers, maar een nettoresultaat van het onderwijs is niet voorhanden.

De Citotoets wordt onder ongeveer tachtig procent van alle leerlingen op de basisschool afgenomen.