Stroomtekort door centrales in de mottenballen

Nederland kampt sinds de liberalisering van de elektriciteitssector voor het eerst met een stroomtekort. Is het een direct gevolg van het vrijgeven van de markt?

Terwijl de hittegolf langzaam wegtrekt loopt de discussie over de stroomvoorziening hoog op. De dagenlange dreiging van grootscheepse stroomstoringen hebben de gemoederen flink verhit. De politiek eist dat er snel maatregelen komen om de reservecapaciteit te verhogen, terwijl de producenten sussen en stellen dat er zelfs in de huidige extreme situatie toch maar mooi voldoende elektriciteit voorhanden is.

De reservecapaciteit staat centraal deze dagen. Deze extra stroom – alle capaciteit die uitkomt boven de vraag en die meestal wordt vrijgemaakt door centrales harder te laten draaien – die nodig is tijdens de hittegolf blijkt eindig, maar of er snel extra capaciteit wordt bijgebouwd is onzeker.

De beschuldigende vinger gaat in de richting van de energiesector. De producenten zouden niet voldoende investeren in nieuwe elektriciteitscentrales, hetgeen weer een direct gevolg is van de liberalisering. ,,Er heeft altijd een vrees bestaan dat er te weinig geïnvesteerd zou worden als er werd geliberaliseerd'', aldus B. van Gils, hoofd van de energiegroep van adviesbureau Ernst & Young. ,,Die angst komt nu uit. Er zijn veel centrales in de mottenballen gezet en het is de vraag of de centrales die er staan voldoende onderhouden worden.'' Ook in een recent rapport van het ECN (`Te weinig investeren in nieuwe elektriciteitscentrales vergroot risico's op stroomuitval' – sept. 2002) wordt de vrees uitgesproken dat er binnenkort een stroomtekort komt. Binnen vijf of tien jaar zou dit het geval zijn gezien de groeiende vraag.

Energiebedrijf Essent, de grootste producent van het land, heeft twee warmtekrachtcentrales al meer dan een jaar in de mottenballen staan, zoals de Flevocentrale nabij Lelystad. De centrales kunnen weer operationeel worden, maar daar zijn absoluut geen plannen voor. De voornaamste reden is dat de centrales gas nodig hebben voor de stroomproductie, zoals heel veel installaties in Nederland. En stroom uit gas is duur, veel duurder dat de energie uit het Duitse bruinkool of de Franse kerncentrales. Uit deze landen importeren de Nederlande energiebedrijven dan ook wat ze kunnen. Die invoer zit nu op het maximum gezien de beperkingen van het internationale transportnet en maakt ruim 20 procent van het nationale energieverbruik uit.

De import is de laatste tien jaar meer dan verdubbeld, vooral onder invloed van de liberalisering. Door de import van de goedkopere stroom hebben energiebedrijven in Nederland centrales gesloten en is de prikkel om nieuwe capaciteit te bouwen nihil: waarom dure centrales bouwen die dure elektriciteit opwekken als er onder normale omstandigheden niemand is die ze wil betalen?

Topman M. Boersma van energiebedrijf Essent zei eerder deze maand dat de groothandelsprijs voor stroom moet stijgen, voordat het rendabel wordt nieuwe centrales te bouwen. Deze prijs zou van het huidige 30 tot 35 euro per kilowattuur naar 40 tot 45 euro moeten, aldus Boersma.

De politiek lijkt hier niet op te willen wachten. Diverse leden van de Tweede Kamer zeiden vanmorgen dat er maatregelen moeten komen om een herhaling van de huidige situatie, hoe extreem ook door de weersomstandigheden, te voorkomen. Volgens CDA-Kamerlid Hessels ,,staan we op het randje'' wat de energiesituatie betreft en moet er wat worden gedaan om te zorgen dat er altijd genoeg reservecapaciteit is.

PvdA-Kamerlid F. Crone heeft een plan om het aantrekkelijk te maken voor bedrijven tóch die reservecapaciteit te bouwen. Hij stelt voor dat de overheid bedrijven een minimum aan reservecapaciteit oplegt en hij wil een nieuwe markt opzetten: één waar bedrijven kunnen handelen in reservecapaciteit.