Stroomtekort

Grote bedrijven en instellingen hebben sinds kort een extra motief om een noodaggregaat te kopen. Niet alleen biedt zo'n aggregaat vrijwaring tegen de groeiende kans op stroomuitval (storingen of tekorten), maar er valt ook veel geld mee te verdienen. Elektriciteitsmaatschappijen bieden nu veel geld aan bedrijven die bij de huidige krapte geen stroom afnemen en hun noodaggregaat aanzetten. Voor sommige fabrieken is het zelfs lucratief om hun gebruikelijke productieproces stil te zetten en stroom te leveren die gisteren op de spotmarkt 2.000 euro per megawattuur haalde. Deze flexibiliteit is een mooi resultaat van de liberalisering van de handel in elektriciteit.

Maar het huidige capaciteitsgebrek tijdens een hittegolf is ook een zwakke plek in de stroomvoorziening. Die is minder zeker dan in het tijdperk van voor de liberalisering. Gelukkig is het stroomgebrek in Nederland niet zo ernstig als in Californië, waar tijdens hittegolven in 2000 en 2001 hele steden op zwart gingen, maar er zijn wel parallellen. Toenmalig minister van Economische Zaken Jorritsma had het dus fout toen ze anderhalf jaar geleden nog zei dat Nederland ,,de komende jaren geen knelpunten zoals in Californië hoefde te verwachten''. Want net als in Californië is er in Nederland te weinig geïnvesteerd in reservecapaciteit. Die reservecapaciteit staat meestal stil en levert dan geen geld op.

Verzelfstandigde energiebedrijven willen dat de overheid investeert in die reservecapaciteit volgens het gebruikelijke recept, `wij boeken de winst en de overheid draagt de verliezen'. In tegenstelling tot omliggende Europese landen die naar zelfvoorziening in elektriciteit streven, is Nederland sterk van goedkope import afhankelijk. Twintig procent van de in Nederland gebruikte elektriciteit komt uit het buitenland, hoofdzakelijk van Duitse bruinkool en Franse en Belgische kernenergie.

De afgelopen jaren hebben de energiebedrijven snel een einde gemaakt aan de eigen overcapaciteit van milieuvriendelijke maar op duur gas gestookte krachtcentrales. Maar in een internationale crisissituatie ernstiger dan deze, valt niet meer op import te rekenen omdat dan elk land voor zichzelf zorgt. Volgens een EU-richtlijn hoeven energiebedrijven dan tijdelijk niet meer aan hun buitenlandse leveringsverplichtingen te voldoen, tenzij de Commissie ingrijpt. Ook na de gedeeltelijke liberalisering geldt in de elektriciteit nog steeds het beginsel `eigen volk eerst'. De vraag is of dat oerbeginsel in leveringscontracten met het buitenland kan worden uitgesloten.

Nederland kan zijn reservecapaciteit in de elektriciteitsvoorziening niet langer verwaarlozen. Volgens het Energierapport 2002 van Economische Zaken heeft Nederland 25 procent overcapaciteit aan elektriciteit, maar de afgelopen dagen leek die nauwelijks voldoende. De verzelfstandigde of geprivatiseerde energiebedrijven zouden samen de verantwoordelijkheid moeten dragen voor die reservecapaciteit. Hier ligt een regeltaak voor de toezichthouder. Veel feiten in deze crisis blijven duister omdat de energiebedrijven geen concurrentiegevoelige informatie verstrekken. Nog steeds is niet officieel bekendgemaakt welke grote krachtcentrale in Nederland is uitgevallen. Het ministerie van Economische Zaken zou de huidige stroomcrisis goed moeten analyseren en er lering uit moeten trekken. Hoe werkt het echt? Het ministerie kan zich niet langer verschuilen achter de gebruikelijke rooskleurige marktscenario's.