Notities in de hitte

Sinds jaar en dag kan iedereen weten dat het klimaat verandert. Het broeikaseffect is een wetenschappelijk vrijwel algemeen aanvaard verschijnsel en dat geldt ook voor de oorzaak: de uitstoot van CO2 bij het verbruik van de fossiele brandstoffen, olie en kolen. Een aantal gevolgen is direct waarneembaar. De poolkappen smelten, gletsjers worden korter, de top van de Matterhorn brokkelt af, flora en fauna veranderen, volken verdorsten, bossen gaan in vlammen op, de waterspiegel stijgt, enz.

Dit alles is voor het deel van de bevolking dat wel eens een krant leest of naar een natuurprogramma op de televisie kijkt, langzamerhand algemene wetenschap. Ook is het bekend dat `er iets aan gedaan wordt'. Onze Rijkswaterstaat maakt plannen voor grootschalige dijkverhogingen met bijbehorende veranderingen van de infrastructuur, verzekeringsmaatschappijen gaan rekening houden met nieuwe risico's, de grote oliemaatschappijen, beseffend dat ze bij een eventuele mondiale crisis zware beschuldigingen zouden incasseren, om te beginnen, proberen hun commercieel beleid met ecologische eisen te verzoenen.

Het beste bewijs van internationaal besef dat het met het klimaat de verkeerde kant opgaat, is het Protocol van Kyoto. Het doel daarvan is, de uitstoot van CO2 in vergelijking tot 1990 tegen 2012 met vijf procent te beperken. Deze maatregel zou dan alleen gelden voor de geïndustrialiseerde landen.

Maar Kyoto blijkt fatale verborgen gebreken te hebben. De bepalingen zijn zeer ingewikkeld; de wetenschappelijke onderbouw blijkt niet onontkoombaar te zijn en het belangrijkste: van te veel tegengestelde nationale en economische belangen is gevergd, dat ze zich onder de gemeenschappelijke noemer van een algemeen wereldbelang zullen scharen. De Verenigde Staten en Australië doen niet mee. Washington heeft zijn eigen plan. Rusland maakt aanstalten om het voor gezien te houden. Daarmee is Kyoto, ongeacht mogelijke verdiensten, al was het maar een begin, waarschijnlijk tot een dood intiatief geworden.

Aan deze hittegolf hebben we het te danken dat de klimaatverandering even tot onderwerp van algemeen debat wordt. Door gebrek aan koelwater voor de centrales dreigt een tekort aan elektriciteit. De autoriteit die ervoor zorgt dat deze openbare voorziening goed blijft werken, komt op de televisie om het publiek te vragen, `zuinig met stroom te zijn'. De volgende dag verschijnt hij weer. Het verbruik is opgelopen. `Men' heeft gedacht, massaal: u kunt me nog meer vertellen, ik ga nu de was doen. Ziehier het vraagstuk in een symptoom.

Klimaatverandering is geen dagelijkse zorg, vergelijkbaar met criminaliteit, files, wachtlijsten. Je hebt het een week heel warm. Dan koop je een airco. Dat kost meer elektriciteit, maar mijn airco alleen zal de poolkappen niet verder doen smelten. Daargelaten wat Kyoto waard is, maar een ernstige, niet marginale en duurzame beperking van het verbruik van fossiele brandstoffen zou onze consumptiecultuur, daarmee het economisch fundament en dus de politieke verhoudingen in de postindustriële westerse samenleving aantasten. Dat heeft deze Amerikaanse regering het best begrepen. Het behoud van het Westen, met deze macht en deze kwaliteit van leven, is in laatste aanleg afhankelijk van de vrije toegang tot de fossiele brandstoffen. Dat geldt ook in de Amerikaanse binnenlandse politiek, waar het conflict gaat over de vraag of de olie- en gasvelden in Alaska in exploitatie mogen worden genomen, en of er in de Rocky Mountains meer hout mag worden gehakt. En natuurlijk draait het in het Midden-Oosten niet alleen om de bevrijding van het Iraakse volk. Ik zag een aardige tekening van Arcadio, op 6 augustus in deze krant, waarop twee Liberianen op het strand een boortorentje hebben gebouwd om de Amerikanen te lokken. Vergeefs.

De westerse samenleving raakt nog altijd meer verslaafd aan de fossiele brandstoffen. En het toeval wil dat het nu juist de linkse partijen zijn die het meeste werk maken van de ecologische doelstellingen. Dat is niet noodzakelijk. In de Club van Rome (1968) voelden idealistische conservatieven, mondiale notabelen zich ook thuis. Hun nadeel was, dat ze werkten met verkeerde verwachtingen. Ze dachten dat de natuurlijke hulpbronnen binnen een generatie, op z'n hoogst, uitgeput zouden zijn, en dat daarom `grenzen aan de groei' moesten komen. Nooit is de wereldeconomie harder gegroeid dan onder leiding van de generatie waarover de Club de ondergang had afgekondigd en dit met volle instemming van de traditionele linkse partijen. En toen, na de Koude Oorlog, heeft de consumptiecultuur, d.w.z. de verbruiksbeschaving, zich pas goed in het Westen gevestigd. Met de SUV, de door alle zich respecterende autofabrieken gemaakte Sports Utility Vehicle, als tot dusver onovertroffen symbool.

Zo'n hittegolf is een kleinigheid. Conservatieve idealisten met mondiaal klimaatbesef zijn er niet meer, althans, je hoort ze niet, en in politiek opzicht is iedere consument een gewone praktische conservatief: wil houden wat hij heeft, zijn dagelijkse dosis fossiele brandstof verbruiken, liefst in een SUV, en na hem de zondvloed, maar die komt niet want daar zorgt Rijkswaterstaat voor. Volgende week regent het weer, en dan boeken we een last minute reisje naar Tunis of Thailand.

    • H.J.A. Hofland