Kopieeraanslag

Internet is `de grootste kopieermachine ter wereld' genoemd, een elektronisch vergiet waardoor het auteursrecht wegspoelt. Hoe wil men nog alle druppeltjes tellen? Deze vraag is niet besteed aan de muziekindustrie. Deze heeft, te beginnen in de Verenigde Staten, een offensief gelanceerd tegen de talloze internetgebruikers die met behulp van slimme software allerlei nummers uitwisselen. Zonder te betalen. Zij worden nu persoonlijk aansprakelijk gesteld voor hun kopieergedrag. Dat kan flink oplopen.

Deze nieuwe tactiek van de muziekindustrie is op zichzelf logisch. Tot voor kort richtte deze industrie haar pijlen op de makers van uitwisselingsprogramma's, zoals Napster en KaZaa. De eerste ging nog kopje onder, maar de laatste betoogde met enig succes dat ontwerpers van programmatuur niet aansprakelijk zijn voor wat gebruikers allemaal met hun producten doen. Om al die miljoenen `internauten' individueel aan te pakken leek echter onbegonnen werk. Wat de muziekindustrie nu doet is in feite het stellen van een voorbeeld. Deze strategie roept haar eigen vragen op. Moeten enkele zondebokken niet te zwaar opdraaien voor de praktijken van velen? De intimidatietactiek staat bovendien niet op zichzelf. De industrie werkt aan methoden om de verspreiding van muziek technisch te beperken, zodat tracks slechts voor een bepaalde tijd of voor bepaalde media bruikbaar zijn. Maar als iemand een boek koopt, kan dat toch wél worden uitgeleend of geruild zonder dat het op een gegeven moment op commando van de uitgever in rook opgaat?

Ook buiten internet zorgt het kopieerapparaat voor problemen. Er is een forse ruzie losgebarsten tussen de ondernemerswereld en de Stichting Reprorecht, die de wettelijke kopieerheffing moet innen. Aanvankelijk alleen voor de overheid, maar sinds begin dit jaar ook voor het bedrijfsleven. Dat een vergoeding verschuldigd is voor het kopiëren van materiaal waarop auteursrecht rust – zoals boeken, kranten en tijdschriften – is op zichzelf moeilijk betwistbaar. De moeilijkheid is het aandeel van dit materiaal te bepalen in de hele stroom van afdrukken die natuurlijk ook vrij (eigen) materiaal betreffen.

De stichting hanteert een methode die voor discussie vatbaar is. Zij stuurt à bout portant een rekening op grond van een schatting. Als de betrokken ondernemer het daar niet mee eens is, moet hij maar aantonen dat het anders zit. En dit in een tijd waarin het terugdringen van administratieve lasten met reden een speerpunt van regeringsbeleid is. De schattingen zijn bovendien nogal globaal. Afkomstig van een stichting met een wettelijke status krijgen zij echter al gauw het karakter van een aanslag, terwijl het in wezen slechts een bod betreft. De bouwbedrijven hebben nu het overleg met de Stichting Reprorecht stopgezet. MKB Nederland dreigde al eerder met een proces. Maar het probleem steekt dieper. Van een wettelijke stichting mag ten minste worden verwacht dat zij niet alleen oog heeft voor de belangen van de rechthebbenden, maar ook van de afnemers. De wet is er voor iedereen. Een mooie taak voor het college van toezicht op dit soort stichtingen dat medio vorige maand onder voorzitterschap van oud-minister Hans Dijkstal is begonnen. En dan het internet nog.