Killing Joke: hogepriesters van de `gothic'

Niemand hoeft zich te schamen voor deelname aan een bescheiden eighties-revival, nu de jaren zestig onder aanvoering van de Rolling Stones hun zoveelste reprise beleven.

De Stones van de jaren tachtig, maar dan anders, heette Killing Joke. Controversieel en geëngageerd, underground en hitgevoelig, somber en verheffend bracht de Londense groep een postpunkgeluid dat met veel galm en straffe ritmes aan de wieg stond van de industrial-stroming.

Metallica, Nine Inch Nails en Rammstein hebben veel aan Killing Joke te danken; al was het alleen maar de wetenschap dat je met grimmige en snoeiharde monotonie wel degelijk een heleboel cd's kunt verkopen.

Zelf werd Killing Joke nooit een langdurig commercieel succes, afgezien van de hit Love like blood uit 1985, die op geen enkele eighties-compilatie mag ontbreken. Zanger en toetsenist Jaz Coleman was een te grillige persoonlijkheid om de status van popster te omarmen. Op het toppunt van roem vluchtte hij naar IJsland, omdat hij overtuigd was van de naderende Apocalyps. Tegenwoordig woont hij op een eiland bij Nieuw Zeeland, waar hij als uitgesproken ongelovige het ambt van priester uitoefent. Daarnaast is hij componist en dirigent van modern-klassieke symfonieën en opera's, en werd hij door de Duitse dirigent Klaus Tennstedt al eens van ganser harte uitgeroepen tot `de nieuwe Mahler'.

In de 25 jaar sinds de oprichting is Killing Joke nooit lang weggeweest, al waren er bezettingswijzigingen en gaat bassist Youth niet meer mee op tournee omdat hij dubbelt als geslaagd dance-producer.

Op het nieuwe album met de geruststellende titel Killing Joke claimt de groep haar status als peetvaders van de industriële rock, al lopen ze daarmee een jaar of tien achter.

Live zijn ze nog steeds de meedogenloos harde rockmachine van weleer, dankzij de galmende riffs van gitarist Geordie en een beukende ritmesectie, die desondanks de swing erin houdt. Het bestaansrecht als podiumattractie danken ze aan de hogepriester van de gotische bombast Jaz Coleman, een perfecte kruising tussen Ozzy Osbourne en Nosferatu-vertolker Max Schreck.

Beschenen door angstaanjagend horrorlicht van onderen, gromde en schreeuwde Coleman zich een weg door de `Death and Resurrection Show' van zijn sombere wereldbeeld, beginnend met de Killing Joke-klassieker Requiem. In zijn brede armgebaren en verbaasde blikken schemerde op zijn minst een gevoel voor humor door, want zelf begrijpt hij natuurlijk ook wel dat hij als een naar corpulentie neigende oudere man, met een enorme spin op het zwarte hansop geborduurd, geen partij is voor de Mick Jaggers en de Robbie Williamsen van deze wereld. Hoewel de dresscode onder het publiek zwart was, werd het een vrolijke boel met veel gespring en gedans in de zaal.

Hitmuziek had deze nostalgische terugblik op de donkere kant van de jaren tachtig-popmuziek niet nodig, want Love like blood werd nadrukkelijk niet gespeeld. Jammer, want dat is nu net het enige Killing Joke-nummer met een gitaarintro dat Brown Sugar kan doen verbleken.

Concert: Killing Joke.

Gehoord: 12/8 Melkweg Max, Amsterdam.

    • Jan Vollaard