IJsland

Loop in IJsland een café binnen, en iedere man en iedere vrouw in de zaak heeft wel eens een flirt met de ander gehad. Dat was althans wat regisseur Baltasar Kormákur beweerde in zijn charmante, ongepolijste debuutfilm Reykjavik 101 (2000). Die haalde in Nederland geen enkele vertoning, in tegenstelling tot Kormákurs ambitieuzere, veel minder originele tweede film The Sea (Hafid). De thema's - incest, alcoholisme en vrijheidsdrang op het deprimerendste eiland ter wereld - zijn vergelijkbaar, maar nu belicht Kormákur de minder vrolijke kant, vanuit het perspectief van de nazaten van de promiscue drinkebroers en -zusters.

De structuur van de IJslands-Noors-Franse coproductie ontleent veel aan Shakespeare's King Lear. De oude directeur van een visverwerkingsfabriek in een afgelegen negorij roept zijn drie volwassen kinderen bij zich. Die denken dat hij het koninkrijk, bestaande uit een aanzienlijke erfenis, zal gaan verdelen; de oude heeft andere ideeën en beklaagt zich over het verkwanselen van zijn rijk door zijn lapzwansen van kinderen, en de algehele ellende van de moderne tijd. De onterfden beijveren zich op hun beurt in het oprakelen van oude affaires, lijken in de kast van hun vader. Dit alles wordt begeleid door een koor van een dorpsidioot die politieagent is geworden, een pompbediende, viswijven, opstandige pubers, ettelijke rendieren en een zwarte ram.

Voor liefhebbers van benevelde confessies, geheime liefdes tussen verwanten en vileine oma's valt er veel te genieten in The Sea. In de verte doet het scenario soms denken aan Maria Goos, die in Oud geld ook al een beetje Lear verstopte, maar het niveau is veel lager, eerder dat van een tv-serie als De fabriek. De meeste acteurs zijn fantastisch, onberispelijk zelfs. Maar de vertaling van Shakespeare naar de handel in visquota doet gemakkelijk aan. Er ligt iets te stinken in de staat IJsland, maar wat het precies is, komen we nooit te weten.

The Sea (Hafid). Regie: Baltasar Kormákur. Met: Gunnar Eyólfsson, Hilmir Snaer Gudnason. In 6 bioscopen.