Homohuwelijk verdient geen afwijzing

Het Vaticaan maakt zich druk over het wegzakken van het huwelijk. Maar het is de vraag of het wettelijk erkende homohuwelijk het zicht op de verbintenis tussen man en vrouw inderdaad verduistert, meent F. Vosman.

De verklaring van het Vaticaan inzake de wettelijke erkenning van verbintenissen tussen homoseksuelen heeft in Nederland een bijna voorspelbare Pavlovreactie te zien gegeven. Voor een zinnig debat is het echter van belang te kijken wat de gesprekspartner zegt alvorens `tegen' of `voor' te roepen. De Vaticaanse verklaring heeft ten eerste een politieke achtergrond: meer en meer staten gaan over tot het instellen van het homohuwelijk, Canada bijvoorbeeld; in de VS kan nu aan president Bush die zich tegen het homohuwelijk verzet, wind in de zeilen worden gegeven.

Ten tweede poogt het Vaticaan ook een politiek-ethische vraag op de agenda geplaatst te krijgen: ,,Burgerlijke wetten zijn structurerende principes van het leven van de mens in de maatschappij, ten goede of ten kwade. Ze `spelen een zeer belangrijke en soms beslissende rol in het beïnvloeden van denkpatronen en gedrag' (citaat uit de eveneens politiek-ethische encycliek uit 1995 Evangelium vitae: over de waardigheid van ouderen en zwakken). Leefstijlen en de onderliggende veronderstellingen die ze uitdrukken vormen het leven van de maatschappij niet alleen van de buitenkant, maar neigen ook de perceptie en de evaluatie door de jongere generatie van gedragsvormen te wijzigen. Wettelijke erkenning van homoseksuele verbintenissen zou bepaalde fundamentele morele waarden verduisteren en de institutie van het huwelijk devalueren''

Daarmee zijn we bij politieke realiteiten aangeland en bij de cruciale vraag wat voor ethiek de politiek eigenlijk zelf kent. Ook wetgeven kent een ethiek.

Waar de katkolieke kerk zich druk over maakt is het wegzakken van het huwelijk en het kapot gaan van het maatschappelijk weefsel. Daarbij erkent men het onderscheid tussen wat moreel wenselijk is en wat de taak van de burgerlijke wet is. Degenen die de verhouding tussen kerk en staat van stal halen hebben dit kennelijk niet gelezen. De wet heeft een kleinere actieradius. De vraag is of de komst van het wettelijk erkende homohuwelijk het zicht op het huwelijk van man en vrouw inderdaad verduistert. In ieder geval verduistert de naam `homohuwelijk' datgene wat de kerk ziet als de kern van het huwelijk: een man en een vrouw doen `for better and for worse' een belofte aan elkaar; zij gaan uit die belofte leven in plaats van uit de wederzijdse verwachtingen; zij hebben de bereidheid om het leven dat men ontvangen heeft lijfelijk weer voort te geven. Zij hebben – en dat is zeer belangrijk – van meet af aan de bereidheid om eventuele kinderen op te voeden in de maatschappij zoals die is.

Er lijken mij goede redenen te geven om inderdaad zorg te hebben voor dit huwelijk en dit gezin. Echtscheidingspercentages en opvoedingsproblemen hebben veel oorzaken maar de schittering die huwelijk en gezin kunnen hebben wordt er door afgeschermd.

Dat betekent niet, ook niet volgens de visie van de katholieke kerk, dat levenssituaties die anders zijn dan het complete huwelijk van man en vrouw geen bescherming en steun, ook van de staat, moeten hebben. De alleenstaande moeders met kinderen zouden, juist ook in Nederland, meer respect moeten krijgen. Concrete blijken van respect van de kant van de staat zijn: mogelijkheden voor huisvestiging, scholing van alleenstaanden beter mogelijk maken, bijstand zonder arbeidsplicht, kinderbijslag verhogen. Dat laatste niet omdat bevolkingspolitiek bedreven moet worden, maar omdat de bereidheid van vrouwen om kinderen te baren en van ouders om ze op te voeden het grootst mogelijke respect waard is.

Dat geldt ook voor gehuwden die niet allebei buitenshuis werken en zich niet in het maatschappelijke denkschema wensen te voegen dat je toch minstens `een bewuste keuze gemaakt moet hebben voor arbeid of kinderen'. Voor dat respect hoef je bepaald geen rooms-katholiek te zijn, maar katholieke kiezers en politici vallen dat pleidooi voor praktisch respect wel van harte bij, althans als het goed is en zij van de morele wijsheid van hun geloof kennis hebben. Wat de kerk niet weet te waarderen maar wat zij wel degelijk zou kunnen erkennen wanneer zij ook maatschappelijk respect voor het huwelijk zou zien opkomen, is de bescherming die de staat geeft aan al die andere verbintenissen waarbij mensen een zorgplicht voor elkaar op zich nemen.

Als er iets het weefsel van de samenleving in Nederland kapot maakt, dan is dat het verloren gaan van het bewustzijn dat samenleven een zeer concrete eigen inspanning en een eigen betrokkenheid vraagt. Dat houdt ook in van anderen te houden en voor ze op te komen als dat nodig is. En dat is vaak nodig in Nederland. De combinatie van een eisende mentaliteit van ressentiment enerzijds (ik krijg wat ik wil, terwijl `die anderen' voor graaiers en klootzak worden uitgescholden) en iets wat voor tolerantie doorgaat (iedereen moet maar zelf zien wat hij doet en vindt) anderzijds is voor dat weefsel levensgevaarlijk. Zo is ook het laten weglekken uit wetten en beleidslijnen van het idee van de zorgplicht levensgevaarlijk. Een concreet voorbeeld zou zijn het herinvoeren van een zorgplicht van kinderen voor ouders. Alle mogelijke verbintenissen waar twee of meer mensen voor elkaar zorgen en voor elkaar opkomen stutten de samenleving; evenzeer als twee homomannen of twee lesbische vrouwen dat doen.

Prof.dr. F.J.H. Vosman is hoogleraar moraaltheologie aan de Katholieke Theologische Universiteit te Utrecht.