Zeg de koloniën snel vaarwel

In de aanloop tot de viering van het vijftigjarig bestaan van het Koninkrijksstatuut in 2004 wordt van alles voorgesteld aangaande de toekomst van de Antillen. Het regeerakkoord bevatte al een passage over de Antillen, waarin voorgesteld werd de huidige structuur aan te passen, maar wel binnen het kader van het Statuut. Die aanpassing moet het mogelijk maken om meer recht te doen ,,aan de eigen mogelijkheden en eigen verantwoordelijkheden om de problemen van de afzonderlijke eilanden aan te pakken''. De troonrede zal misschien meer over de voornemens van de Nederlandse regering duidelijk maken. Maar wát Nederland ook zou wensen, binnen het Statuut zal het meeste niet te verwezenlijken zijn, omdat de Nederlandse Antillen en Aruba, de koninkrijkspartners, alles willen, behalve verandering die de Nederlandse parasol inklapt.

Maar ook omdat het Statuut, dat altijd al als een tussenfase is beschouwd op weg naar onafhankelijkheid van de Antillen, zijn beste tijd heeft gehad en moet worden verlaten. Daarom zijn voorstellen om van de Antillen en Aruba een provincie te maken, en bijvoorbeeld van de eilanden gemeenten, zoals onder anderen door Pieter van Vollenhoven gedaan, niet bruikbaar. De landen overzee zullen dat niet aanvaarden.

Maar stel even dat de andere landen binnen het Statuut daarmee wel zouden instemmen, dan zijn de lokale problemen natuurlijk niet opgelost. Zonder provincie geen gemeenten: in tal van opzichten zijn er relaties tussen gemeenten en provincie, zoals bij het goedkeuren van bestemmingsplannen en milieuvraagstukken. Het is niet aannemelijk het provinciemodel in te voeren op de Antillen, terwijl deze bestuurslaag in Nederland op de tocht staat.

Nee, als het wérkelijk ernst is met het normaliseren van de eilanden in de Caraïben en het daadwerkelijk invullen van art. 43 van het Statuut (,,Elk der landen draagt zorg voor de verwezenlijking van de fundamentele menselijke rechten en vrijheden, de rechtszekerheid en de deugdelijkheid van het bestuur. Het waarborgen van deze rechten, vrijheden en deugdelijkheid van bestuur is aangelegenheid van het Koninkrijk.''), dan zal dat alleen zijn beslag kunnen krijgen door herkolonisatie. Dan gaat het om het vervangen van een corrupt ambtenarenapparaat, het instellen van een berekenbaar bestuur, het invoeren van een fatsoenlijke verzorgingsstaat, en nog veel meer dat nu niet van de grond komt. Afgezien van het feit dat zo'n operatie Nederland, naar zich laat aanzien, extra begrotingsgeld zal gaan kosten, is een dergelijke ingreep in termen van toegeleiding naar de onafhankelijkheid een wat merkwaardige tournure.

Een andere uitweg uit de impasse laat zich ook denken. Nu het er naar uitziet dat de Nederlandse Antillen en Aruba zich met hand en tand zullen verzetten zowel tegen inlijving in een Nederlandse eenheidsstaat als tegen het losser maken van de banden met het moederland, en dat dus alle pogingen om binnen het Statuut tot veranderingen te komen vergeefs zullen zijn, is één van de weinige begaanbare wegen een eenzijdig uittreden van Nederland uit dit verband. Ook het Nederlandse volk heeft een recht op zelfbeschikking, dat het zonder toestemming van anderen kan uitoefenen. Dit in het volkenrecht erkende recht komt niet alleen toe aan eertijds gekoloniseerde volken, maar ook in nieuwe situaties. Bij de implosie van het Sovjet-imperium hebben verscheidene landen gebruik gemaakt van dit recht, zoals de DDR en Slowakije. Het recht geldt tegenover iedereen, dus ook tegenover de landen overzee. Hun toestemming is niet vereist, want dat strijdt met het idee van zelfbeschikking. Nederland kan dus eenzijdig opstappen, en het Statuut kan `gelet op de ontwikkelingen' door de overblijvende partners aangepast worden.

Natuurlijk moet dit geen koude sanering worden: ruimhartig zullen, gegeven de oude relaties, ontwikkelingsgelden ter beschikking gesteld moeten worden. Maar wel wordt het tijd de laatste stap naar onafhankelijkheid van de oude koloniën te zetten door de uitoefening van het Nederlandse zelfbeschikkingsrecht. De landen overzee hebben uiteraard het volste recht hun eigen toekomst uit te stippelen, en wie weet willen zij graag een monarchietje onder de Oranjes vormen. Maar daar gaan wij in Nederland niet meer over.

Prof.mr. H.U. Jessurun d'Oliveira is oud-hoogleraar rechtsgeleerdheid aan de Universiteit van Amsterdam en het Europees Universitair Instituut in Florence. Bovenstaande tekst is de ingekorte versie van het artikel `Nederlandse secessie uit het Koninkrijk' in `Op het snijvlak van recht en politiek', een bundel opstellen voor prof.mr. L. Prakke (Kluwer, 2003).