Hoop voor Liberia

Met het gedwongen vertrek van president Charles Taylor naar Nigeria gloort er een sprankje hoop dat er een einde komt aan de bloedige burgeroorlog die het West-Afrikaanse Liberia nu al veertien jaar teistert. Essentieel daarbij is de rol van de onder de vlag van de Verenigde Naties opererende vredesmacht, die zich de komende tijd fors zal moeten uitbreiden. Deze troepen zullen een daadwerkelijk einde moeten zien te maken aan de gewelddadigheden tussen de rivaliserende groepen.

De belangrijkste tegenstander van Taylor, de rebellenbeweging LURD, stelde bij monde van haar plaatsvervangend secretaris-generaal Fofana weliswaar dat er met de verbanning van Taylor een einde is gekomen aan de oorlog, maar het straatarme land kent nog zoveel andere gewapende en nauwelijks georganiseerde groepen. Bovendien mag niet worden vergeten dat de burgeroorlog al ruim voordat `warlord' Taylor aan de macht kwam, was begonnen.

Veruit het belangrijkste is dan ook dat van Liberia een `normaal' land wordt gemaakt door middel van het opbouwen van een economische en bestuurlijke infrastructuur. Hier is eveneens de belangrijkste taak weggelegd voor de VN. De geluiden uit New York dat de volkerenorganisatie voor het eerst in Afrika zich hiermee wil gaan bezighouden, kunnen alleen maar worden verwelkomd. Dat neemt niet weg dat op dit terrein ook de Europese Unie een eigen bijdrage kan en moet leveren.

Bij het proces van opbouw zijn vertrouwen en voorbeeldwerking van het grootste belang. Juist deze begrippen krijgen een ernstige deuk zolang de van oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid verdachte ex-president Taylor niet wordt vervolgd, maar als banneling vanuit zijn villa aan de kust van Nigeria de ontwikkelingen in zijn oude land kan volgen.