Honky Tonk Hufters?

Wat is eigenlijk erger? Een stadion vol bierbuikige vijftigers die hun paardenstaart laten wapperen op de beat van Honky Tonk Women, of de ellebogende leden van dezelfde generatie die elkaar om het hardst naroepen dat de Stones er nu eindelijk eens mee moeten ophouden? Moet je de geriatrische clown die deze rockband al veertig jaar leidt deze keer nog ferm verdedigen, als een `klassieke' entertainer, of moet je hem afbranden als een cynische zakkenvuller? Zo heeft elke generatie zijn kopzorgen.

De Rolling Stones zijn deze week begonnen aan een reeks van zes concerten in Nederland, van de Rotterdamse Kuip en Ahoy, tot de Amsterdam Arena, en een eenmalige show in het `intieme' Vredenburg te Utrecht (een beproefde zaal, waar in de jaren negentig de verguisde Bob Dylan nog jaarlijks kwam aansloffen als een uit Hoog Catharijne opgedoken zwerver). Alles is uitverkocht, en tienduizenden Nederlanders zullen met hun prijzige toegangsbewijzen (90 euro voor een veldkaartje in de Kuip) de kas spekken van een muzikale bv die volgens het blad Fortune sinds 1989 zo'n 2,5 miljard dollar heeft verdiend, waarvan 435 miljoen voor de bijna 60-jarige M. Jagger.

Zulke cijfers tekenen de schaalvergroting die de rockindustrie heeft beleefd sinds de jaren zestig, toen Jagger, student aan de London School of Economics, en zijn maatjes hun eerste rammelende imitaties van Amerikaanse bluesmuziek op de plaat zetten. De jeugdrevolte van de jaren zestig kwam als een godsgeschenk voor het kapitalisme van na de wederopbouw, dat zich nu voluit kon ontfermen over een mondiale jongerenmarkt die snakte naar de nieuwe heilige drie-eenheid van seks, drugs en rock-'n-roll. Geheel in de pas met de modernisering en individualisering die de rest van de samenleving doordrenkte, werd popmuziek een collectief en persoonlijk ijkpunt. Voor eerdere generaties waren zulke ijkpunten in het leven doorgaans niet zelf gekozen de oorlog, de crisis, de wederopbouw maar voor de naoorlogse jeugd werden het zelfgekozen momenten van vrijheid of, zoals cultuurpessimisten beweren, decadentie: Woodstock, het Kralingse Bos, Dylan, de Sex Pistols, Eminem. Rockmuziek werd de onmisbare soundtrack van het moderne leven. Dat is ook: normalisatie van een ooit als `tegencultuur' geafficheerde jeugdbeweging.

Maar nu willen de babyboomers, de eerste generatie die dit procédé beleefde, elkaar en hun opvolgers nog steeds blijven vertellen hoe ze de beker van de popmuziek moeten leegdrinken. Je vraagt je dan af wie de grootste Honky Tonk Hufters zijn: de afgetrainde zakenman Jagger en de bibliofiele heroïne-icoon K. Richards, die misschien met de opbrengst van deze tournee nog een gezellig Caraïbisch eilandje willen opkopen, of hun bewonderaars van weleer, die hun eigen vitaliteit proberen te bewijzen door dit duo neer te sabelen als overrijpe lawaaimakers? De Volkskrant riep de band zaterdag in een paginagroot stuk, bij monde van de popcriticus John Strausbaugh, op: `Jongens, hou ermee op!' Let op de kameraadschappelijke aanspreekvorm.

Dat is niet voor het eerst. De ergernis die de kop opsteekt over de bv Jagger past in het onophoudelijke zelfgesprek dat deze generatie op de publieke tribune voert over de erfenis van hun jaren zestig, waarvan onlangs ook de dichter Gerrit Komrij in Ruigoord een proeve gaf. Hij maakte deel uit, betoogde hij, van een generatie `verraders' die de eigen idealen te grabbel had gegooid en het land in een poel van verloedering, domheid en lelijkheid had gestort. Ook in de muziek heeft zulke zelfbespiegeling repercussies. Eerst werd door generatiegenoten al omstandig afgerekend met Dylan, per slot van rekening de meest `ideologische' zanger die de jaren zestig hadden opgeleverd. Hij was het politieke boegbeeld geweest, en moest het hardst incasseren toen de revolutie was verdampt. Naar zijn hortende en stotende concerten gingen alleen nog, merkte een Britse krant begin jaren negentig op, `het soort mensen dat vaart mindert op de snelweg om een wrak te bekijken'. De voormalige `protestzanger' werd pas weer in genade aangenomen toen hij na een hartkwaal sombere liefdesliedjes begon te tandenknarsen.

En nu is kennelijk de beurt aan de Rolling Stones, een band die (ondanks enkele opportunistische pogingen in die richting, zoals het nummer `Street Fighting Man') geen enkele politieke lading had maar die een rebelse, genotzuchtige lifestyle uitstraalde. De behoefte van babyboomers om de Stones hun vet te geven laat zien hoezeer de gevoeligheid voor de naweeën van de jaren zestig en zeventig is verschoven van een politiek naar een moreel en esthetisch plan: wie als vijftiger bij de tijd wil zijn, moet niet langer gapen bij de protestliedjes van een Dylan, maar zich vrolijk maken om het bejaarde hedonisme dat bij de Stones hoogtij viert.

Al die dagkoersen van het sixties-aandeel laten intussen vooral zien, hoe weinig serieus de openbare mening in Nederland nog in het reine is gekomen met de maatschappelijke aardverschuivingen die zich hier de laatste veertig jaar hebben voorgedaan. Van een betrekkelijk gesloten en wereldvreemde uithoek werd Nederland in dat tijdvak gelanceerd als verreweg het modernste landje van West-Europa, een vooruitgeschoven post van de amerikanisering die de grote broers Frankrijk en Duitsland pas later in haar greep zouden krijgen. De jaren zestig brachten een ongekende dynamisering van de economie, en liberalisering van de politieke, sociale en culturele verhoudingen.

Met de culturele excessen van die modernisering hebben we vervolgens allemaal kunnen kennismaken, dankzij talloze uitbaters van uitzinnigheden, van Menno Buch's freak show Sex voor de Büch tot de laatste mode voor behoeftig-hippe oudere jongeren, het flash mobben bij de Albert Heijn. Een ontremd kapitalisme gunt iedereen zijn vijftien minuten van vluchtige roem. Maar een modernisering van samenleving en economie afschrijven, of nostalgisch willen terugdraaien, op grond van zulke excessen, is een vergissing. Energieke inzet voor de onderbouw, om het volgende lichtingen mogelijk te maken óók deel te nemen, is belangrijker dan krokodillentranen plengen over al het onappetijtelijks dat er inmiddels te zien is in de bovenbouw. Al is het een stadion vol vijftigers die meebrullen met een leeftijdgenoot in een trappelpakje.