De afzakkende broek

Afshin Ellian, die zijn klassiekers schijnt te kennen, lijkt aan Quintilianus voorbij te zijn gegaan (NRC Handelsblad, 9 augustus). Deze heeft er in zijn Institutio Oratoria (V.13.41) nog zo op gewezen dat men de tegenstander kan vloeren door deze ermee te confronteren dat hij een belangrijk argument listig heeft verzwegen of te beknopt heeft weergegeven. Overigens is ook mogelijk dat onze, och arme Ellian zich niet zozeer schuldig heeft gemaakt aan een listige verzwijging, maar dat sprake is van pure onwetendheid.

Volgens hem zou ik moeite hebben met het onderscheid tussen ethiek en strafrecht. Dat zou best kunnen. Sterker nog, ik geef het grif toe. Maar dan toch op andere gronden dan die welke onze gevluchte Iraanse wijsneus voor mogelijk houdt. Een ethisch-politiek probleem zou ik hebben omgebouwd tot een strafrechtelijk casus. Persoonlijk vind ik dat erg knap. Hierbij zou ik evenwel voorbij zijn gegaan aan het zo belangrijke legaliteitsbeginsel.

Ofschoon ik niet kan bewijzen wat een wetenschapper dagelijks op kosten van de gemeenschap doet of nalaat en met name of hij wel zijn vak bijhoudt, kan ik mij niet aan de indruk onttrekken dat de zichzelf beurtelings strafrechtwetenschapper en strafrechtgeleerde noemende Ellian, de strafrechtspraak niet zo goed heeft bijgehouden. Misschien komt dat door het voor geld in een krant schrijven van juridisch rammelende en daardoor nogal amusante stukjes. Zo schijnt aan Ellian de uitspraak van de Hoge Raad van 20 november 2001, over de reikwijdte van het misdrijf van mensenroof, voorbij te zijn gegaan.

De raad relativeerde in die uitspraak het legaliteitsbeginsel in sterke mate met een beroep op de huidige juridische en maatschappelijke realiteit. Ellian's verzwijging dan wel verzuim om deze jurisprudentiële relativering van het legaliteitsbeginsel in zijn stukje te betrekken wijst op een zeldzaam ongenuanceerde wijze van strafrechtswetenschap bedrijven. En daar zakt mijn broek van af.