Zoel of zwoel?

We beleven op dit moment de ene zwoele zomeravond na de andere en dit leidde tot een interessante taalvraag van een lezer. Deze lezer had zijn dochter terechtgewezen toen zij over een zwoele zomeravond sprak, terwijl zij een `warme avond' bedoelde. Volgens de vraagsteller heet zoiets een zoele avond. Hij begon echter te twijfelen toen hij ook een weerman over een zwoele avond hoorde spreken. ,,Toch eens het woordenboek van Koenen erbij gepakt'', schreef hij. ,,Daarin wordt zoel omschreven als: 1. zacht; lekker warm; 2. drukkend, vochtig-warm. Bij zwoel staat: 1. drukkend warm, broeierig benauwd; 2. zwaar erotisch; zinnelijk, sensueel. Daaruit blijkt dat zwoel in dezelfde betekenis gebruikt kan worden als zoel, en dus niet `fout' is, zoals ik vroeger geleerd heb. Wel kwamen de volgende vragen boven: beide betekenissen van zoel zijn ons inziens tegenstrijdig: `broeierig benauwd' is niet `lekker warm'. Verder menen we dat die weerman een `zachte, lekkere avond' bedoelde en niet `drukkend benauwd'. Kortom, hij bedoelde een zoele avond, of zou het begrip zwoel in de loop der tijden een andere betekenis gekregen hebben? Daarnaast hebben we ons de hele avond afgevraagd wat nou bedoeld wordt met `zwaar erotisch'.''

Het verschil tussen zwaar erotisch en licht erotisch laat ik hier buiten beschouwing, net als het verband tussen hete zomeravonden en seks; er zijn mensen die er op zo'n avond niet aan moeten denken om ook nog te worden aangeraakt (het is zo al zweterig genoeg), anderen willen niks liever. De kernvraag hier is: is het nu zoel of zwoel?

Eerlijk gezegd had ik tot nu toe nog nooit van zoel gehoord, laat staan van zoele (zomer)avonden. Maar zoel bestaat en het wordt wel degelijk gebruikt, zij het beduidend minder vaak dan zwoel. Op internet vond ik een kleine vijftig zoele (zomer)avonden versus ruim vijftienhonderd zwoele tegenhangers, maar in deze krant is het verschil veel kleiner: in combinatie met (zomer)avond bleken zoel en zwoel beide ruim twintig keer voor te komen, met een kleine voorsprong voor zwoel. Dit kan echter het werk zijn van een ijverige eindredacteur.

Uit het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT), het wetenschappelijke woordenboek van het Nederlands, blijkt dat zoel de oudste papieren heeft. Dit woord is aan het eind van de 16de eeuw voor het eerst aangetroffen en het werd doorgaans gebruikt voor `een zoodanige, matig hooge temperatuur hebbend of verspreidend als aangenaam is voor de zintuiglijke gewaarwording; aangenaam warm; zacht, mild van temperatuur'. Men zei dit van dagen of avonden, maar ook van wind, lucht, regen enzovoorts.

Tegelijkertijd, ook al vanaf de zestiende eeuw, werd zoel in de tegenovergestelde betekenis gebruikt, namelijk `onaangenaam, vochtig warm; benauwd, broeierig, drukkend, verstikkend van temperatuur'. Volgens het WNT werd zoel vooral op deze manier gebruikt op Texel, in Overijssel en in Zeeland.

De vorm zwoel is aan het begin van de 17de eeuw voor het eerst opgetekend, niet veel later dus dan zoel. Ook hier zien we twee tegenovergestelde betekenissen: `aangenaam warm' en `onaangenaam warm'.

`Onaangenaam' lijkt in het WNT de overhand te hebben, maar dat kan ook liggen aan de bronnen die ze hebben gebruikt. Of warmte als aangenaam of onaangenaam wordt ervaren is nogal persoonlijk en dat was vroeger niet anders dan nu.

Kortom, zwoel en zoel zijn nevenvormen, zoals dat in de taalkunde heet, en je kunt ze beide gebruiken. Feitelijk is er geen betekenisverschil, maar over het algemeen zie je dat zwoel wordt gebruikt voor `onaangenaam warm', en zoel voor `aangenaam warm'. Dit komt overeen met wat de hedendaagse woordenboeken zeggen; zij geven beide betekenissen, maar in een andere volgorde.

Resteert de vraag wanneer zwoel de betekenis kreeg van `wellustig, sensueel, wulps, erotisch'. Ook die dateert al uit het begin van de 17de eeuw. Waaruit je overigens niet mag concluderen dat de erotische werking van zwoele zomeravonden pas vierhonderd jaar oud is.