Zeus en de schoonheid van een zwaan

In Athene kun je nog steeds de agora bezoeken, het plein van ooit, het plein waar mensen naar Perikles geluisterd moeten hebben, het plein waar men bijeenkwam, overheen liep, waar tempels stonden waarin men offers bracht en geheimzinnige plichten vervulde. Je ziet er de stoa, de lange zuilengalerij waarover mannen heen en weer wandelden en gesprekken voerden die vermoedelijk meestal over de prijs van een kip, het gedrag van de buurman of de toekomst van de kinderen gingen, maar toch ook wel eens over het goede en het ware, over de rechtvaardigheid en de onsterfelijkheid. In het museum staat kinderspeelgoed van de Griekjes die ooit kleine stenen karretjes voortrokken, er liggen de scherven van de gerichten maar ook scherven met allerhande kleine berichtjes erop, er is een weelde aan marmer te zien, een overdaad aan schoonheid en elegantie de krullerige glazen parfumflesjes die onbegrijpelijkerwijs de eeuwen doorstaan hebben en overal goden en nog eens goden in hun eeuwige jeugd.

Dan te denken dat daar ooit, eeuwen na Perikles maar toch, Paulus stond. Voor de stoa van Zeus of op de trappen van de Arestempel. Te schreeuwen dat die machteloze goden van hier niets voorstelden, dat er iemand was opgestaan uit de dood die de mensen verlost had, dat ook zij hier verlost konden worden als ze maar wilden, als ze de weelde maar opgaven en die wederopgestane man volgden. De Grieken moeten hem voor gek hebben versleten. Hun idee van een god strookte helemaal niet met het beeld van een door de Romeinen opgehangen machteloze.

Het is een voorstelling van de onverenigbaarheid van alles wat hoort bij het Griekse, en alles wat hoort bij het christelijke denken en voelen. Ik weet niet precies wat christendom ís, zoals ik niet precies zou weten te zeggen wat het typisch Griekse ís, maar de oversteek van de ene naar de andere wereld, zelfs al is het zoveel eeuwen later en is die oversteek uitsluitend in de geest en worden de twee werelden vooral door teksten belichaamd, vind ik altijd moeilijk zo niet onmogelijk. Beide werelden gelden als grondslagen voor onze kijk op de mens en de wereld. Maar hoe zijn ze te verenigen?

Dit geregeld opduikende, sluimerende probleem werd nieuw leven ingeblazen door een essayverhaal (er is geen goed woord voor het genre dat hij beoefent, dit lijkt nog het meest adequaat) van J.M. Coetzee in zijn laatste boek Elisabeth Costello. Hij confronteert daarin zijn hoofdpersoon, de schrijfster Elisabeth Costello, met haar zuster, die na een opleiding als classica, medisch missiezuster is geworden in Zoeloeland. De zuster spreekt ten overstaan van zojuist afgestudeerden, haar wantrouwen in de humaniora uit, zelfs haar overtuiging dat die ten dode opgeschreven zijn. Omdat ze zich behalve met de bijbel, zijn gaan bezighouden met hoe de mens was vóór de verlossing, met de Grieken. Omdat ze zijn gaan geloven dat die studie niet alleen een middel was om uiteindelijk de bijbelse teksten beter te kunnen begrijpen, maar misschien wel een doel in zichzelf. Dat er van de Grieken iets geleerd zou kunnen worden dat een alternatief zou bieden voor het christendom. Dat nu, meent deze Blanche, is een ernstige vergissing. ,,Extra ecclesiam nulla salvatio'' zegt ze ijskoud. Buiten de kerk is er geen verlossing.

Er ontstaat discussie, eerst in het universitaire gezelschap, later tussen de twee zusters. Er worden tal van interessante punten aangesneden, maar uiteindelijk komt het toch neer op een strijd tussen de Griekse idealen met daaruit volgend het humanisme, en de christelijke visie.

Behalve een onbuigzame katholiek is zuster Blanche ook een toonbeeld van medemenselijke zorg daar in haar kliniek in Zoeloeland, waar ze zich vooral het lot aantrekt van kinderen met aids. Moet je daar christelijk voor zijn? Vast niet. Toch zegt de missiezuster iets interessants en zeer christelijks als haar schrijvende zuster haar verwijt dat ze ,,deze volkomen vreemde, barbaarse obsessie met de lelijkheid en de sterfelijkheid van het menselijk lichaam'' naar Afrika heeft geïmporteerd, in plaats van `de Grieken'. Ze zegt dat de werkelijkheid van Afrika niet strookt met een ideaal van schoonheid en onsterfelijkheid, maar wel met dat van een lijdende god. Dat de mensen daarom naar haar kerk komen. Niet vanwege de beloften van een beter leven daarna? vraagt de schrijfster. ,,Nee. De mensen die naar Marianhill komen beloof ik niets, behalve dat wij hen zullen helpen hun kruis te dragen.''

Dat is een indrukwekkend antwoord. Toch bevredigt het Elisabeth Costello niet. Zij vindt dat het christendom de schoonheid van het menselijk lichaam en ook de vreugden en de troost van het lichaam heeft verwaarloosd.

Het probleem wordt natuurlijk niet opgelost, al worden er wel pogingen tot synthese gedaan door bijvoorbeeld op de Renaissance-kunst te wijzen. En natuurlijk wordt van beide werelden een karikatuur gemaakt het christendom bestaat alleen nog maar uit een beeld van een lijdende man aan een kruis, de Griekse wereld uitsluitend uit gezonde geesten in gezonde lichamen, een soort harde, apollinische schoonheid.

Las een gedicht van Rilke, over Leda, maar eigenlijk ging het geheel over de zwaan, over de bijzondere bekoring die het voor Zeus had om een zwaan te zijn, hij `schrok haast van de schoonheid van de zwaan'. Ineens leek dat me heel Grieks, de gedurige aanwezigheid van de goden op aarde, die gezien kunnen worden als indrukwekkende adelaar, als verleidelijke zwaan of gouden regen, als dageraad of als bron. Troost boden ze niet. Ook in Griekse tragedies is er geen troost of vergeving, er is alleen het moedig onder ogen zien van wat er staat te gebeuren. Maar er is een schittering, een glans die je niet snel ergens anders vindt.

Heel dat boek van Coetzee gaat steeds weer over die ene vraag: hoe moeten we leven. Waar past de rede, waar de intuïtie, wat is waarheid, wat troost. En intussen leven we maar door. Rilke schreef in zijn negende Duineser Elegie (in de vertaling van W.J.M. Bronzwaer): ,,Zie, ik leef. Van waaruit? Kindsheid noch toekomst/ verliezen aan geldigheid... Overvloedig bestaan/ welt op in mijn hart.''