De olympische spelen van 1928

`Sobere Spelen' moesten het worden, de Spelen van Amsterdam werden sober. De regering mocht er van het parlement geen belastinggeld in steken, bang als een meerderheid in de Tweede Kamer was voor vergroting van de onzedelijkheid en ontheiliging van de zondag.

Dus een loterij om de helft van de benodigde ruim twee miljoen gulden bijeen te halen mocht al helemaal niet. In een snel opgezette inzamelingsactie hielp de belastingbetaler in 1927 het organisatiecomité aan aanzienlijk meer geld dan het gevraagde miljoen – de actie bracht 1,5 miljoen gulden aan giften en garanties op. Het andere miljoen kwam van enkele grote banken, de gemeente Amsterdam en de provincie Noord-Holland. Het Olympisch Stadion kostte 1,2 miljoen gulden. Daarvoor kregen de atleten de beschikking over een moderne sintelbaan en de sprinters ook nog eens over een schepje waarmee de kuiltjes konden graven waarin ze zich bij de start konden afzetten. De verrassende winnaar, de Canadees Percy Williams, liep de sprint (met de hand geklokt)in 10,8 seconden. Daarmee is hij minder dan een seconde langzamer dan de elektronisch gemeten 9,87 seconden van Maurice Greene die dit nummer bij de Spelen van Sydney in 2000 won. Maar hoeveel van die tijdswinst komt voor rekening van het moderne startblok, de vlakkere en snellere kunststofbaan, de elektronische tijdsmeting, het grotere en steviger postuur van de loper? En wat te denken van de betere trainingsmethoden? Williams baarde in Amsterdam opzien door zijn voorbereiding. Waar de andere atleten zich buiten warm liepen, spaarde hij energie voor zijn gouden race door in de kleedkamer onder een stapel dekens te gaan liggen: Williams kreeg er in zijn geboorteplaats Vancouver een standbeeld voor.

Tweede deel van een korte serie over de Olympische Spelen die 75 jaar geleden in Amsterdam werden gehouden.