Bij het omverwerpen van de vijand is niet alles geoorloofd

Oorlog zal wellicht nooit worden uitgebannen. Maar iets van het geweld, de wreedheid en de excessen waarmee oorlogen gepaard gaan, moet wel aangepakt worden, vindt Robert S. McNamara.

Op de avond van 9 maart 1945, toen de bemanningen van het 21ste Bomber Command terugkeerden van hun eerste bombardementsvlucht boven Tokio, wachtte generaal Curtis LeMay hen op in zijn hoofdkwartier op Guam. Ik was van het luchtmachthoofdkwartier in Washington tijdelijk op Guam gestationeerd en LeMay had me gevraagd die avond samen met hem de rapportage over de missie bij te wonen.

LeMay deed zijn faam van ijzervreter eer aan. In menig opzicht leek hij een bruut, maar hij was ook de bekwaamste bevelhebber die ik in mijn drie jaar bij het US Army Air Corps tijdens de Tweede Wereldoorlog ben tegengekomen.

Die avond had hij er 334 B-29-bommenwerpers op uitgestuurd om – zoals hij het stelde – tegen het minimumverlies aan Amerikaanse levens de maximumverwoesting aan het doel toe te brengen. De Tweede Wereldoorlog ging zijn laatste maanden in en de Verenigde Staten begonnen met het vernietigende slotoffensief voor een onvoorwaardelijke Japanse overgave.

Alleen al op die avond verbrandden door de bommenwerpers van LeMay 83.793 Japanse burgers en raakten nog eens 40.918 gewond. De vliegtuigen gooiden brandbommen en vlogen lager dan voorheen, waardoor ze nauwkeuriger en verwoestender waren.

Ze maakten een groot deel van Tokio met de grond gelijk. Het was een houten stad – zoals ik bij een bezoek in 1937 had gezien – en die brandde als een lucifer toen er brandbommen op werden gegooid. De aanval van die avond was pas de eerste van 67. Avond na avond – nog 66 maal – werden bemanningen de hemel boven Japan in gestuurd.

Natuurlijk vonden niet elke avond 83.000 mensen de verbrandingsdood, maar in de loop van enkele maanden brachten Amerikaanse bommen uitzonderlijke schade aan een groot aantal Japanse steden toe – 900.000 doden, 1,3 miljoen gewonden, meer dan de helft van de bevolking dakloos. Het land was ontredderd. Het dodental was uitzonderlijk. Radio Tokio vergeleek de aanvallen met de brand van Rome in het jaar 64.

LeMay was overtuigd van de juistheid van zijn aanpak en hij zei tegen zijn meerderen (aan wie hij geen verlof had gevraagd om de aanval van 9 maart uit te voeren): ,,Als u wilt dat ik de rest van Japan ook verbrand, dan kan dat.'' Zijn standpunt over oorlog was duidelijk: wie gaat vechten, moet vechten om te winnen. In de jaren daarna werd hij als volgt geciteerd: ,,Wie militair geweld gebruikt, kan het beste een overmacht inzetten.'' Ook zei hij: ,,Elke oorlog is immoreel, en wie daar niet tegen kan, is geen goede soldaat.''

Nu ik bijna 60 jaar later terugkijk – en ook nadat ik zeven jaar minister van Defensie ben geweest in een van de heetste perioden van de Koude Oorlog, met inbegrip van de Cubaanse raketcrisis – moet ik zeggen dat ik het daar niet mee eens ben.

Of oorlog immoreel is of niet, hij dient te worden gevoerd binnen een duidelijk omlijnd stel regels.

Nog iets wat LeMay zei, en wat ik hem ook zelf heb horen zeggen: ,,Als we de oorlog verliezen, zullen we berecht worden als oorlogsmisdadigers.'' In dat laatste had hij gelijk. Dat zou gebeurd zijn. Maar wat maakt je gedrag immoreel als je verliest en niet immoreel als je wint?

De theorie van de `rechtvaardige oorlog', voor het eerst uiteengezet door de grote katholieke denkers, stelt dat de toepassing van militaire macht evenredig dient te zijn met de zaak waarvoor ze wordt toegepast. Een aanklager zou hebben betoogd dat de verbrandingsdood voor 83.000 burgers op één avond, gevolgd door nog eens 66 aanvallen, niet evenredig was met onze oorlogsdoelstellingen.

Oorlog zal in de nabije toekomst niet worden uitgebannen, en misschien wel nooit. Maar we kunnen – en moeten – wel íets uitbannen van het geweld, de wreedheid en de excessen die ermee gepaard gaan. Daarom moeten de Verenigde Staten absoluut deelnemen het Internationaal Strafhof in Den Haag.

President Clinton ondertekende het desbetreffende verdrag op oudejaarsavond 2000, vlak voor zijn aftreden, maar in mei 2002 verkondigde president Bush dat de Verenigde Staten niet van plan waren partij bij het verdrag te worden.

De regering Bush is van mening – en velen met haar – dat het hof een werktuig zou kunnen worden voor pietluttige of onbillijke aanklachten tegen Amerikaanse militairen. En ook al is dat een reden tot ongerustheid, ik vind dat we ons onmiddellijk bij het hof moeten aansluiten en intussen verder moeten praten over nadere bescherming tegen dergelijke gevallen.

Als LeMay nog leefde, zou hij zeggen dat ik niet goed wijs ben. Hij zou zeggen dat de evenredigheidsregel belachelijk is. Hij zou zeggen dat je genoeg vijanden moet doden, want anders sneuvelen er alleen maar meer van je eigen soldaten.

Maar ik geloof dat de mensheid wanhopige behoefte heeft aan een overeengekomen stelsel van jurisprudentie dat ons zegt welk gedrag van politieke en militaire leiders goed en fout is, zowel bij binnenlandse conflicten als bij conflicten die de nationale grenzen overschrijden.

We hebben behoefte aan een heldere, internationaal aanvaarde code, zodat niet alleen ons Congres en onze president, maar ook al onze militairen en ambtenaren weten wat bij conflicten wettig en onwettig is. En we hebben behoefte aan een hof dat de misdaden van boosdoeners kan berechten.

Is het wettig om op één avond 83.000 mensen te verbranden om je oorlogsdoelstellingen te bereiken? Was Hiroshima wettig? Was het gebruik van Agent Orange – het ontbladeringsmiddel dat werd ingezet toen ik minister van Defensie was – een schending van het volkenrecht?

Deze vragen zijn van wezenlijk belang.

Ons land moet zich, samen met het Internationaal Strafhof, mede inzetten om de antwoorden te vinden.

Robert S. McNamara was minister van Defensie onder de presidenten John F. Kennedy en Lyndon B. Johnson.

    • Robert S. Mcnamara © Lat-Wp Newsservice