Bezuinigen en werken

PLEIDOOIEN VOOR EEN hogere arbeidsdeelname van ouderen hebben in een tijd van snel oplopende werkloosheid iets paradoxaals. Niet voor niets stamt een regeling als de VUT uit een periode dat massaontslagen aan de orde van de dag waren. Het achterliggende idee was dat de werkloosheid hiermee eerlijker werd verdeeld: oud maakte plaats voor jong om te voorkomen dat een verloren generatie van schoolverlaters zou ontstaan. Om dezelfde reden kwam er ook een speciale werkloosheidsregeling voor werknemers van 57,5 jaar en ouder, waarmee voorkomen werd dat zij tussen WW-uitkering en pensioen nog in de bijstand zouden belanden. Al met al hebben de diverse ouderenregelingen ertoe geleid dat in Nederland nog maar één op de drie mensen tussen de 55 en 65 jaar aan het werk is.

Met de toenemende vergrijzing is duidelijk dat hiermee reeds op korte termijn een probleem ontstaat. Een relatief steeds kleiner deel van de beroepsbevolking moet de kosten opbrengen voor het steeds groter wordende niet-werkende deel van de bevolking. Dit is overigens geen specifiek Nederlands punt, maar geldt voor heel Europa. Niet voor niets hebben de landen van de Europese Unie vorig voorjaar tijdens de top van Barcelona met elkaar afgesproken dat de gemiddelde leeftijd waarop mensen het arbeidsproces verlaten in 2010 met vijf jaar moet zijn toegenomen.

TEGEN DEZE ACHTERGROND is het reeds in het regeerakkoord aangekondigde voorstel om de zogeheten vervolguitkering in de WW af te schaffen, goed verdedigbaar. De vervolguitkering die volgt op de reguliere werkloosheidsuitkering (waarvan de duur afhankelijk is van het arbeidsverleden) en 70 procent van het minimumloon bedraagt, was in veel gevallen een aantrekkelijke overbrugging naar het pensioen. Voor mensen van 57,5 jaar en ouder gold de vervolguitkering voor 3,5 jaar in plaats van de normale twee jaar.

Toch moeten in de huidige conjunctuur vraagtekens worden gezet bij het arbeidsmarktinstrument dat het kabinet hanteert. Het is minder eenvoudig mensen te prikkelen werk te zoeken op het moment dat het aanbod van werk afneemt. De maatregel lijkt dan ook allereerst ingegeven door bezuinigingsoverwegingen. Het schrappen van de vervolguitkering levert volgens het ministerie van Sociale Zaken volgend jaar 20 miljoen euro op. Een bedrag dat oploopt tot ruim 500 miljoen euro in 2012. Veel geld voor een sociale regeling die zeker in goede tijden de arbeidsparticipatie van ouderen in de weg staat. Om die reden is het goed dat het kabinet hier het mes in zet.

MINDER FRAAI is de wijze waarop het kabinet de wetswijziging heeft ingevoerd. De vervolguitkering is met ingang van vandaag afgeschaft. Dit betekent materieel dat werknemers die vandaag werkloos worden op zijn vroegst pas over zes maanden, als de minimale WW-uitkeringstermijn is verstreken, de gevolgen van de maatregel zullen ondervinden. Maar dat neemt niet weg dat het kabinet een voorschot neemt op de parlementaire behandeling van de wetswijzing. Het snel nog even gebruikmaken van de gunstiger regeling is met de onmiddellijke ingangsclausule geblokkeerd. Maar anticiperen op wetgeving die gaat veranderen is aan de orde van de dag.

Het regeren per decreet, waar de WW-maatregel toch sterk op lijkt, moet beperkt blijven tot uitzonderingen, zoals indertijd bij het afschaffen van de WIR-investeringsregeling waar miljarden mee gemoeid waren. In dit geval staat de winst van het per direct invoeren van de maatregel in geen verhouding tot het hanteren van de normale procedure.