`Wij zeggen ïyi günler, in Turkije zeggen ze bye bye'

Een moskeebestuur bestaat uit oude mannen die slecht Nederlands spreken. Zou je denken. Maar in Haarlem is dat niet zo. Het zijn de jongeren die werken aan een nieuwe moskee. `De buurt vindt hem prachtig, maar ze willen hem nog steeds niet op die plaats.'

Als je Amsterdam gewend bent, is zo'n provinciestad als Haarlem wel heel erg Hollands. Surinamers zijn er op het eerste gezicht helemaal niet, en die paar herkenbare Turken of Marokkanen hebben iets van `let vooral niet op mij'. Toen drie jaar geleden de Turkse voetbalclub Galatasaray de UEFA-cup won, en op een avond alle wegen rondom het station vol stonden met toeterende auto's, wist ik dus niet goed hoe ik het had. Waar kwamen al die mensen ineens vandaan?

Maar het opvallendste was nog het uiterlijk van de jongens en meisjes die met van die grote, rooie Turkse vlaggen uit de raampjes hingen. Er waren heel weinig blonde koppen bij, maar voor de rest kon ik niet zien wat er Turks aan ze was. Toen je vorig jaar overal in het land kon horen dat we hier met een nogal achterlijke bevolkingsgroep te maken hebben, werd ik echt nieuwsgierig. Hoe gaat het er bij de Turken in zo'n provincieplaats aan toe? De moskee is een middelpunt. Wat gaat er om in een moskeebestuur?

Hasan Akyuz, de voorzitter van zo'n bestuur in Haarlem, maakte meteen een vertrouwde indruk. Hij was moe en geïrriteerd. Overal stond hij alleen voor, zuchtte hij vanachter zijn bureau in de bestuurskamer.

Het was kort voor de drukte van de ramadan. ,,Schoonmaken, organiseren – iedereen kijkt naar de voorzitter. De rest komt wanneer het ze uitkomt.'' Een gezellig soort gemopper. Zo'n man had ik niet verwacht. De voorzitter van een moskeebestuur hoort rond de zestig te zijn, in een stijf pak, met langzame bewegingen, een wantrouwende blik en tien woorden Nederlands. Deze systeembeheerder van 41 leek daar niet op, en dat bleek ook het probleem. De ouderen hebben alle tijd, deze voorzitter niet. De meeste leden van dit bestuur ook niet. Mustafa bijvoorbeeld, die er die eerste keer ook bij was, is in de dertig en werkt in de catering op Schiphol. Hij zit in de vierploegendienst, net als Murat en Özcan in die tijd. Die twee, allebei 24, kwamen binnenvallen met de jeugdige energie die meteen een kamer vult. Ze moesten de volgende dag examen doen voor rij-instructeur, en hadden maar even tijd.

Het was snel uitgelegd waarom zij en niet die ouderen in het bestuur zitten. Er moest een nieuwe moskee komen, dus er moest met Nederlandse instanties gesproken worden en daar zijn de ouderen niet goed in. Ze zaten nu nog in zo'n afgetrapt gebouw in een oude arbeiderswijk waar alle moskeeën in Nederland in ondergebracht schijnen te zijn. De nieuwe zou een witte koepel krijgen, en een echte minaret natuurlijk. Tweeëneenhalf miljoen gulden hadden ze gedacht dat het moest gaan kosten. Er zijn ongeveer 6.500 Turken in Haarlem en daarvan hadden 1.200 gezinshoofden voor gemiddeld 3.000 gulden ingetekend.

Maar waar was het eigenlijk voor nodig? De moskee zat zelden vol, zeiden ze. Het was net een katholieke kerk in Frankrijk: alleen een paar keer per jaar, met het suikerfeest bijvoorbeeld, was het er echt druk. Normaal gesproken vond je er nooit veel meer dan tien, twintig oude mannen. ,,Beetje praten, beetje bidden.'' Koffiedrinken, biljartje – dat was het wel zo ongeveer. Maar eigenlijk was dat bidden maar bijzaak, zeiden ze. Mustafa: ,,Bidden kan thuis ook – de moskee is voor de gemeenschap. In de nieuwe moskee kunnen niet alleen de ouderen terecht, maar ook de kinderen, en de vrouwen krijgen er eindelijk hun eigen ruimte.''

Lekker onder elkaar in een soort buurtcentrum – is dat de islam?, vroeg ik. Mustafa dacht ernstig na en zei: ,,Islam is in het kort: goeie dingen doen. Als je iets goeds doet voor de mensen, dan is dat bidden. Je moet gewoon een goed mens zijn.'' En bij voorzitter Hasan klonk het als een bekering. Vóór 1990 was hij nog nooit naar een moskee geweest. Tot een kennis hem eens had meegenomen, en, zei hij ,,toen zag ik die warmte, de warmte van mensen die samen iets doen.''

Een paar dagen later, op een zaterdagavond, hadden ze een bestuursvergadering. Eindelijk, hij was steeds uitgesteld, omdat er altijd wel een paar moesten werken. Zelfs nu kon niet iedereen, maar de tijd drong, het was bijna ramadan.

Murat was vroeg. Hij stond te biljarten met Ali, de imam. Hij was gezakt voor het rij-instructie-examen, zei Hasan terzijde, ,,Ali probeert hem een beetje af te leiden.'' Ali was er verder die avond niet bij. De imam preekt op vrijdag en onderricht de kinderen, maar is onafhankelijk van het moskeebestuur. Hij wordt betaald door de Turkse semi-overheidsinstelling die iedere vier jaar een nieuwe imam stuurt. Ali had net zijn inburgeringscursus achter de rug.

Uiteindelijk zaten we met z'n zessen om het bureau van Hasan. Vijf van de acht bestuursleden waren aanwezig. Alles ging in het Turks – toch net even gemakkelijker, ook voor de jongeren. Murat vertaalde. De drukte rond de ramadan was in een half uur geregeld en toen kon het echte probleem besproken worden: de nieuwe moskee. Ik wist al dat er onenigheid met de architect was. Een Turkse architect uit Rotterdam tekende een moskee van 7 miljoen gulden in plaats van de ruim 2 die de bedoeling was. Het moest goedkoper, anders, maar de man wilde niet dat er iets aan zijn ontwerp veranderd zou worden. Er waren al advocaten ingeschakeld. De bestuursleden praatten nu wat heen en weer. Of ze op de een of andere manier niet alvast met de bouw konden beginnen. Nee dus. En hoe het goedkoper zou kunnen – dat was ook al vaak aan de orde geweest. De gebedsruimte kon wel een stuk kleiner. Het wordt toch steeds stiller in de moskee, zei iemand. Dat vond niet iedereen een goed idee. Een kleinere minaret werd nog geopperd, of een andere constructie van de koepel. Maar daar ging het allemaal niet echt om, bleek na enige discussie. ,,Het vervelende is die onzekerheid'', zei Hassan op een gegeven moment, ,,de mensen vragen zich af wat er met hun geld gebeurt.''

Dertig procent van de intekenaars had al betaald. De rest nog niet en het animo daalde natuurlijk door al die onzekerheid. Nu met de ramadan, met al die drukte hier, heb je de kans iedereen er weer bij te halen, zei Özcan, die wél geslaagd was voor zijn examen en nu niet al te lang meer op Schiphol zou werken. Een ander wilde een brief uitdelen, in de groentezaken en shoarmatenten. Er moest in ieder geval iets gebeuren, vond Hasan. ,,We moeten iets doen tegen het geroddel'', vertaalde Murat. Het ene moment zouden ze failliet zijn, en op het andere moment werd er gesmoesd dat de bouwvergunning al rond is. De mensen moesten ook niet het idee krijgen dat hier alles bedisseld werd en niemand iets te horen kreeg. ,,De mensen moeten niet verkeerd gaan denken over het bestuur'', vertaalde Murat een paar keer.

Het probleem was ook: Hassan hoort van de gemeente eerst dit en dan weer dat. Zo gaan de mensen denken dat hij een leugenaar is. Zo krijg je ruzie tussen de voorzitter en de mensen, legde Murat uit. Uiteindelijk leken ze het er over eens te zijn dat de wethouder maar weer eens moest komen uitleggen hoe het allemaal in elkaar zat. Dat was blijkbaar al eerder gebeurd. Als de wethouder kwam zeggen dat het nog wel even ging duren met de bouw, en waarom, dan zouden de mensen dat van haar wel willen aannemen. Hij was gestresst, zei Hasan na afloop. Als de nieuwe moskee er eenmaal was, hield hij er subiet mee op als voorzitter, dat was zeker.

Dat had hij een paar dagen eerder ook al duidelijk gemaakt. Maar toen, en nu weer, vertelde hij ook hoe leuk het was als een heleboel mensen vertrouwen in hem stelden. Iemand gaf hem 5.000 euro bijvoorbeeld, hij gaf een kwitantie terug, en zo was het dan goed. ,,Dat vind ik leuk, dat is belangrijk voor mij'', zei hij.

Een paar weken later stond Hasan met zijn vrouw en twee kinderen groot op de voorpagina van het Haarlems Dagblad. De ramadan was begonnen en volgens het onderschrift waren ze op de foto net bezig een speciaal ramadangerecht te verorberen. Ze zagen eruit als een gewoon Hollands gezin aan tafel.

Weer later, toen er inmiddels een oorlog in Irak aan de gang was, kwam ik weer eens bij de moskee langs. Er was veel gebeurd. De Turkse architect was vertrokken en een architect uit Haarlem, een raadslid van D66, had een nieuw ontwerp gemaakt dat net was goedgekeurd door de welstandscommissie. Glunderend rolde Hasan de tekeningen uit. Hij oogde niet meer zo moe. En Murat was in de herkansing toch geslaagd voor dat examen. Hij en Özcan waren nu druk met het opzetten van hun eigen rijschool. Ze hadden nog minder tijd voor het bestuur. Er waren er daarom drie ouderen bij gekomen – ook wel om wat meer ervaring in het bestuur te hebben.

Ik zei tegen Hasan dat me van die vergadering een half jaar geleden vooral die sfeer van wantrouwen was bijgebleven, de roddels in de koffiehuizen. De vermoeide blik in zijn ogen kwam meteen weer terug. ,,Je hebt van die mannen die twee keer per jaar naar de moskee komen en de rest van de tijd in het koffiehuis roepen dat het bestuur het geld opmaakt. Iedere week hang ik hier op het prikbord een kopie van de bankafrekening op. Iedereen kan zien wat het saldo is, maar die praatjes gaan gewoon door, want ze komen hier nooit. Ik betaal nota bene nog mijn eigen koffie hier, uit de automaat.''

Was dat niet gewoon de keerzijde van dat warme gemeenschapsgevoel? En zou dat wantrouwen niet gelijk met dat mooie gevoel verdwijnen? De vorige keer had hij geklaagd dat de jongeren steeds minder idealistisch waren en alleen nog maar aan geld verdienen dachten. Kortom, wat zou er van dat Turk-zijn overblijven?

Hasan dacht even na, en moest toen ineens lachen. ,,Weet je'', zei hij, ,,hier zeggen we elkaar altijd in het Turks goeiedag – ïyi günler. Als je komt en als je gaat. Maar in Turkije zelf? Daar zeggen ze alleen nog maar bye bye! En daar dragen ze baseballpetjes en heavy metal-shirtjes. Wij willen Turks zijn, in Turkije zijn ze liever Amerikaans.''

Om het ook eens van een andere kant te kunnen bekijken sprak ik kort daarna met Jan Haverkort. Hij was acht jaar lang PvdA-wethouder in Haarlem, tot vorig jaar zomer, en had altijd veel met de Turken van doen. Mustafa Öcal was er ook bij. Al twintig jaar heeft hij in verschillende posities met de Haarlemse immigranten te maken. Haverkort was een sterke wethouder, en dat wil hij wel weten. Öcal staat ook in aanzien met al die ervaring – dat merk je in de moskee.

Ze waren het roerend met elkaar eens over de betekenis van de nieuwe moskee, namelijk `wij zijn hier en wij blijven hier'. Zo'n planningprocedure, daarvan leer je veel over Nederland, en als het gebouw er eenmaal staat, zei Haverkort ,,dan krijg je net zoiets als de arbeiders van vroeger die over hun vakbondsgebouw tegen hun kinderen konden zeggen: dat hebben wij gebouwd, dat hebben wij betaald''. Je ziet ook grappige dingen gebeuren, zoals dat de Turkse architect met een Rietveld-achtig ontwerp kwam, en de D66-man met een heel Arabisch aandoende moskee, een type dat je in Turkije nooit zult zien. ,,Er zit ergens een logica in'', zei Haverkort, die net als Hasan Akyuz enige ironie wel kan waarderen.

Haverkort vindt dat je Turken het beste als Nederlanders in de jaren '50 kan zien. Met bijvoorbeeld een gevoel voor status en gezag dat je nu onder Nederlanders niet meer vindt. ,,Ze hebben het idee dat ze je nodig hebben en dat klopt ook, want je krijgt een hoop gesodemieter over je heen als je als wethouder een Turkse moskee wil bouwen.''

De moskee is gepland in de Haarlemse Parkwijk, in een groenstrook, en de wijkraad wil hem ergens anders, een paar honderd meter verderop langs de provinciale weg naar Schiphol. Maar wegens vervuilde grond zou bouwen daar veel duurder worden, en Haverkort heeft de gemeenteraad en de provincie ervan kunnen overtuigen om voor de – goedkopere – groenstrook te kiezen. Dat de wijkraad tegen bleef, vindt hij normaal. ,,Dat zijn vrijwilligers in die raad. Je moet ze bij wijze van spreken tegen zichzelf beschermen, want ze hebben natuurlijk de neiging om met de gemeente mee te denken, en dan komen ze tussen ons en de buurt knel te zitten. In die buurt zit nu eenmaal die vage, bijna abstracte angst voor zo'n moskee. En de Turken zeggen niks, want die zijn bang om ruzie te krijgen met hun buren.''

Het is ook jaloezie, volgens Öcal. Hij schilderde hoe twee buren, een Nederlander en een Turk, ongeveer hetzelfde werk hebben, ongeveer hetzelfde verdienen, en het redelijk met elkaar kunnen vinden. Maar gaan de dochters van de Turk werken, dan leveren ze hun loonzakjes bij pa in. Bij die Nederlander doen ze dat al twee generaties niet meer. Maar die Turk kan nu zijn Opel wegdoen en een Mercedes aanschaffen. En dan schoppen de kinderen van die Turk het vaak ook nog een stuk verder. De buurman zit dat allemaal niet lekker – die gaat zich achtergesteld en bedreigd voelen. Het opbouwwerk in de stad heeft tot taak na te gaan wat de mensen willen. Maar Turken die hun mond open willen doen kenden ze daar niet. Öcal, als adviseur van het opbouwwerk, heeft toen Hasan Akyuz om namen gevraagd, en die kon er met veel moeite drie geven in de Parkwijk. De rest wilde niet uit de anonimiteit. ,,Precies, zo ken ik dat van vroeger'', kwam slagerszoon Haverkort er tussen, ,,voorzichtig, vooral niet opvallen. Je weet nooit of ze het nog eens tegen je zullen gebruiken. Ik hoor het m'n moeder zo zeggen.''

De laatste keer dat ik in de moskee kwam, trof ik Hasan in een goeie bui. Hij was vol zelfvertrouwen. Ze hadden een week eerder de burgemeester op bezoek gehad. Die wilde weten of ze nog last hadden gehad met de Irakoorlog. Helemaal niet. Maar toch goed dat hij was geweest. ,,Goed voor ons prestige'', zei Hasan. ,,Dat wil zeggen dat de moskee als vertegenwoordiger van de Turkse gemeenschap wordt gezien.''

De burgemeester had ook gezegd dat hij een bijeenkomst wilde organiseren met de wijkraad van Parkwijk en de Turken daar. De architect was een paar weken geleden samen met het Turkse raadslid Oktay Özcan al eens bij de wijkraad langs geweest om het ontwerp te laten zien. ,,Ze vonden het prachtig, maar ze willen hem nog steeds niet op die plaats'', zei Hasan op berustende toon.

Ik had Oktay al eens in de moskee gezien. Ik vroeg: hebben jullie ook iets aan het nieuwe Turkse raadslid van het CDA, Tashin Onur? En Hasan zei: ,,Hij is hier een keer geweest en toen beloofde hij zijn steun. Maar hij leek toen ook een beetje gepikeerd dat we bij de verkiezingen al onze steun aan Oktay hadden gegeven.''

Waarom deden jullie dat?

,,De PvdA vroeg of ik kandidaat wilde zijn. Nee, zei ik, ik heb geen tijd. Zoek dan iemand voor ons, zeiden ze, en toen heb ik Oktay voor ze gevonden. Hij heeft gesolliciteerd en is aangenomen. En ik steun natuurlijk onze eigen kandidaat. Dat is ook een kwestie van prestige van de moskee. We moeten onze macht laten zien.

,,Vervelend was wel dat Mustafa Öcal achteraf boos was dat we niet op hém hadden gestemd. Hij is van D66. Maar ik wist helemaal niet dat hij kandidaat was! Echt niet! Öcal verdient absoluut onze steun, en als ik dat geweten had, had ik gezegd: je hebt gauw drie stemmen per gezin, geef er dan eentje aan Onur, eentje aan Oktay en eentje aan Mustafa.''

Na al het gesomber over het wantrouwen in de koffiehuizen hoorde ik hier toch even van op. Maar Hasan bleef er bij. ,,Als ik wil, kan ik alle Turken bereiken. Ze kunnen wel roddelen over het bestuur, maar als je nagaat dat er nu 1.500 mensen zijn die geld hebben gegeven voor de nieuwe moskee – dat zegt toch wel wat.''

Zo lijken de Turken onder leiding van hun moskeebestuur keurig de fasen van een Nederlands emancipatieproces te doorlopen. Het komt allemaal wel goed, denk je dan. Maar toen kwamen we te spreken over het verschil tussen Amsterdam en Haarlem, en over zijn kinderen. Amsterdamse Turken zijn harder en gehaaider. ,,Dat is nu eenmaal het verschil tussen de provincie en de grote stad'', constateerde Hasan laconiek, ,,in Turkije net zo goed als hier. Ik weet alleen niet precies wat beter is. Ik heb ooit als beveiligingsman in een Amsterdamse school meegelopen met de conciërge. Die man durfde niet alleen door de school. Hier wil ik niet leven, dacht ik toen. Maar van de andere kant krijgen kinderen in de grote stad meer zelfvertrouwen. Ze kunnen daar meer ervaring opdoen. Mijn zoon van veertien is de hele dag aan het internetten, en dan denk ik wel eens, dat is niet goed, hij moet tussen de mensen komen. Maar als ik dan zeg: ga toch eens naar buiten, dan zegt hij: wat moet ik daar doen? Hij heeft gelijk. We wonen in Hoofddorp. In Hoofddorp is echt helemaal niks te doen.

,,Een rustiger jongen kun je je trouwens niet voorstellen, dus ik wist niet wat ik hoorde toen hij laatst naar huis was gestuurd, omdat hij een jongen bij de strot had gegrepen. Die had hem uitscholden voor vuile vieze Turk of zo. Ik ben naar die docent gegaan om te vragen of ze daar niets tegen konden doen, en die zei, nee, hij kan toch gewoon terugschelden? Dus die docenten hebben niet veel invloed. Ze zeggen alleen: ga maar naar huis.

,,Op de basisschool hebben we nooit zoiets meegemaakt. Daar konden de kinderen altijd goed met Nederlanders overweg. Maar in het voortgezet onderwijs wordt veel meer afstand gehouden.''

Toen vertelde Hasan ook nog over zijn dochter van 18, die anderhalf jaar geleden was weggelopen. Wekenlang hoorden ze niets van haar, tot ze belde, uit Istanbul. Hij heeft haar opgehaald en ze staat nu in een winkel van haar tante. Die moet het heel moeilijk gehad hebben, zei ik. ,,Ja'', zegt Hasan, ,,en ik wil dat ze een opleiding gaat volgen'', zei Hasan, ,,dat is echt nodig.''

,,Mijn vrouw werkt ook, dus we hebben geen tijd, we hebben geen controle. En op school is er maar heel weinig discipline. In Turkije is veel meer discipline op de scholen. Ik heb de laatste jaren een paar keer gedacht dat mijn vrouw met de kinderen maar in Turkije moest gaan wonen.''

Waar ze dan erg Amerikaans worden, zei ik, en Hasan lachte wat zuur. Je hoeft hem niet te vertellen dat er geen weg terug meer is.

    • Martijn de Rijk