Rwanda is Nederlandse hulp niet waard

Tijdens haar bezoek aan Rwanda treft minister Van Ardenne alle argumenten aan waarom zij als Kamerlid tegen ontwikkelingshulp voor dat land was, betoogt Jeroen Corduwener.

De CDA-ministers Jaap de Hoop Scheffer (Buitenlandse Zaken) en Agnes van Ardenne (Ontwikkelingssamenwerking) reizen komende week samen in hoog tempo door het hart van Afrika. In vier dagen tijd worden de Democratische Republiek Congo, Oeganda en Rwanda met een bezoek vereerd.

Doel van dit Nederlandse bliksemoffensief is onder meer om aan de regeringsleiders ter plekke duidelijk te maken dat er hoognodig vrede, stabiliteit en democratie moet komen. Het bezoek heeft bovendien een extra accent. Met twee van de drie landen heeft Nederland een bijzondere ontwikkelingsrelatie. Rwanda en Oeganda staan op de selecte lijst van landen met een goed bestuur, waarvoor extra ontwikkelingsgeld direct vanuit Den Haag naar de desbetreffende regeringen vloeit.

Het is een erfenis van het beleid dat door de voorganger van Van Ardenne – Eveline Herfkens – werd bedacht. Eén van de grootste tegenstanders tegen de plek die aan Rwanda werd toebedacht, was indertijd de huidige minister voor Ontwikkelingssamenwerking. Als CDA-Kamerlid hekelde Van Ardenne de aanwezigheid van Rwanda in de oorlog in Congo en had ze felle kritiek op het gebrek aan goed bestuur en mensenrechten.

Tegen die achtergrond kan De Hoop Scheffer zich op deze trip geen betere gids wensen. Van Ardenne wist en weet feilloos hoe Rwanda zich in de afgelopen jaren heeft ontwikkeld. Van slachtoffer van de genocide, die het land in 1994 tot een ware hel maakte en waarin meer dan 800.000 mensen op gruwelijke wijze de dood vonden tot het Rwanda van 1996, dat openlijk afrekende met het bewind van de dictator Mobutu in buurland Zaïre door diens opponent Kabila naar Kinshasa te helpen.

En het Rwanda dat tussen 1998 en 2002 in oorlog raakte met Congo, aanvankelijk om de daar nog steeds aanwezige aanstichters van de genocide te vervolgen en op te pakken. Maar al snel werd duidelijk dat het regime onder leiding van Paul Kagame het ook en vooral te doen was om het leegroven van diamant-, goud-, en coltanmijnen, alsmede het toeëigenen van het bestuur en bezit van de twee Oost-Congolese provincies Noord- en Zuid-Kivu. Vorig jaar werd daar zelfs de Rwandese franc tot officiële munteenheid gelanceerd.

De oorlog in Congo bracht Rwanda in gewapend conflict met buurland Oeganda, waar voorheen juist schouder aan schouder mee werd opgetrokken. De vrede, die officieel exact een jaar geleden tussen de drie landen werd getekend, is uiterst broos. Nog steeds zijn Rwanda en Oeganda aanwezig op het Congolese grondgebied, om elkaar én de Congolese regering te bevechten, dan wel een van de talloze rebellengroeperingen die door een van de strijdende partijen wordt gesteund.

Het macabere conflict in de Congolese provincie Ituri, rond de inmiddels beruchte hoofdstad Bunia, is bijvoorbeeld mede geïnitieerd door Rwanda en Oeganda. De etnische groeperingen Lendu en Hema die elkaar in deze regio afslachten, worden bewapend en gesteund door respectievelijk de regeringen in Kigali en Kampala.

Van Ardenne had als Kamerlid het gelijk aan haar zijde toen ze zei dat Nederland Rwanda niet financieel mocht helpen, als dat zo betrokken was bij militair en humanitair geweld. En dankzij haar bemoeienis kostte het haar voorganger Herfkens meer dan een jaar debatteren voordat Rwanda uiteindelijk op die lijst van landen met goed bestuur werd geplaatst, zij het met beperkende voorwaarden.

Die voorwaarden liggen vast in een `Memorandum of Understanding' dat is ondertekend door beide landen. Volgens dat memorandum moet Rwanda voldoen aan democratische beginselen en mensenrechten. De Nederlandse ministers komen wat dat betreft zelfs op het juiste moment in Rwanda: het land staat aan de vooravond van de eerste presidents- én parlementsverkiezingen in zijn geschiedenis.

Van Ardenne zou haar collega van Buitenlandse Zaken kunnen tonen dat het dus toch nog goed is gekomen. Maar ze weet wel beter, want de werkelijkheid laat zich in Rwanda niet voorschrijven op een papieren `Memorandum of Understanding'. De verkiezingen zijn geregisseerd en gemanipuleerd. De huidige machthebbers onder leiding van president Paul Kagame hebben in de voorbije drie jaar geen moment onbenut gelaten om hun posities te versterken en te monopoliseren. De incidenten en voorbeelden zijn eindeloos: oud-president Bizimungu – de voorganger van Kagame – is opgesloten in de gevangenis, nadat hij een eigen partij oprichtte. De belangrijkste Hutu-partij – die samen met Kagames Tutsipartij RPF de regering vormt – is verboden en uitgesloten van de nakende verkiezingen.

Van Ardenne kent de incidenten, zo blijkt uit recente beantwoording van Kamervragen. Wat ze bijvoorbeeld nog moet weten, is dat de bevolking in de voorbije maanden massaal en gedwongen werd opgeroepen naar vergaderingen. Daar werd duidelijk gemaakt wat het stemgedrag voor de komende weken moet zijn: Kagame én RPF. Wie niet wilde luisteren, kreeg nadien thuis bezoek en werd desnoods mishandeld.

Officieel heet Rwanda een unieke verkiezingscampagne in te gaan, met maar liefst vier kandidaten voor het presidentschap. De werkelijkheid in Rwanda wil dat drie kandidaten volstrekt kansloos zijn en slechts dienen als schaamlap om de verkiezing van Kagame de schijn van een eerlijk gewonnen strijd mee te geven.

Van Ardenne treft in Rwanda straks alle argumenten aan waarom ze als Kamerlid dat land niet op de lijst van landen met goed bestuur wilde hebben.

Jeroen Corduwener is zelfstandig journalist en bezoekt regelmatig het gebied van de Grote Meren in Afrika.