Pomfret, dumpplaats van afgedankt kanonnenvlees

Het Zuid-Afrikaanse dorp Pomfret is een vuilnishoop voor afgedankt kanonnenvoer uit de apartheidstijd. En een broeinest voor huurlingen die worden ingezet voor oorlogen elders op het continent.

De blanke mannen die de oorlog naar Pomfret brengen, komen zelden overdag. Pas als het donker wordt, arriveren de pick-ups met valse nummerplaten in deze droge uithoek van Zuid-Afrika. Ze brengen berichten van het front elders op het continent: Congo, Ivoorkust, Liberia.

Ze brengen ook geld, grote sommen. Drieduizend euro voor een maand vechten op het slagveld van een ander. Hoe vaak ze naar Pomfret komen op zoek naar huursoldaten, weet niemand. Alleen waarom.

,,Hier wonen de professionals'', zegt José Kapussu, die zelf is benaderd om huurling te worden. ,,Eens soldaat, altijd soldaat.''

Pomfret, zeven uur rijden van Johannesburg, is de thuisbasis van afgedankt kanonnenvlees uit het Zuid-Afrikaanse apartheidstijdperk. Hier wonen de veteranen van het beruchte 32-ste bataljon. De elite-eenheid vocht tussen 1975 en 1989 de koude oorlog uit in Angola en het huidige Namibië. Het blanke apartheidsregime rekruteerde naar schatting vijfduizend Angolese vluchtelingen voor die oorlog. Ze noemden zich de Buffalo soldiers, naar het kamp waarin ze werden opgeleid.

Na de val van de Berlijnse Muur en de onafhankelijkheid van Namibië werd Zuid-Afrika's vreemdelingenlegioen overbodig. Er was alleen nog maar plaats in Pomfret, een dorp gebouwd voor de arbeiders van een in onbruik geraakte asbestmijn. Daar werden de soldaten gedumpt, ver uit het zicht van de bewoonde wereld.

Veertien jaar later is Pomfret synoniem geworden voor vervuilde longen, werkeloosheid en huursoldaten.

Voormalige leden van het 32ste bataljon, dat in 1993 is opgeheven, worden in twee VN-rapporten genoemd als hoofdleveranciers voor huurlingen in Afrikaanse conflicten: Angola, Democratische Republiek Congo, Sierra Leone. Volgens de Zuid-Afrikaanse veiligheidsdienst zijn ze betrokken bij de burgeroorlog in Ivoorkust. En ze worden genoemd in verband met de coup in São Tomé, vorige maand.

,,De leden van het oude bataljon zijn zeer gebruiksvriendelijk'', zegt José Kapussu, de lokale bestuurder in Pomfret. ,,Ze zijn goed getraind en zijn stateloos. Geen enkele regering wil zich nog met hen bemoeien.'' Kapussu was na de oorlog in Angola het vechten moe. In zijn dromen staat hij nog elke nacht op het slagveld, zegt hij. ,,Dan hoor ik het schreeuwen weer.'' Na het einde van apartheid trad hij in dienst van de ANC-regering, de aartsvijand van zijn voormalige werkgever.

Negentig procent van zijn oud-collega's is werkeloos gebleven. Op het met onkruid overgroeide exercitieterrein marcheren twee oude mannen, zonder commando. Verveeld. Verward. De meeste veteranen spreken alleen Portugees en maken geen kans op een baan in de dichtstbijzijnde stad, Vrijburg, 150 kilometer verderop.

Volgens Kapussu zijn ze makkelijke prooien voor particuliere bewakingsbedrijven. De ondernemingen worden vaak geleid door oud-officieren van het Zuid-Afrikaanse leger die goede contacten hebben in de rest van Afrika. Ze huren de Angolezen in voor de beveiliging van diamantmijnen, of lenen ze uit aan het (rebellen)leger dat het best betaalt.

In het dorp aan het einde van het pad met keien zo groot als tennisballen haal je de succesverhalen er zo uit. ,,Hij heeft goed verdiend in Sierra Leone'', wijst Monica naar haar buurman die in een BMW voorbij stuift. Ook haar echtgenoot heeft goed geboerd als huursoldaat in Angola en Sierra Leone.

Maar Lydia Lombo heeft sinds het vertrek van haar man `voor een baan in het buitenland' vier jaar geleden niets meer van hem vernomen. Hij zou naar Sierra Leone gaan, als bewaker, vertelt ze in haar bedompte huis met afgebladderde verf. Vier maanden later kreeg ze telefoon uit het Congolese Lubumbashi, van de manager van Executive Outcomes, een berucht Zuid-Afrikaanse huurlingenbedrijf. De boodschap luidde dat haar man was doodgeschoten bij gevechten in het zuid-oosten van Congo.

,,Zijn botten liggen daar nu te rotten. Ik weet niet eens waar precies. En er was natuurlijk geen levensverzekering voor mij en de drie kinderen'', zegt Lydia Lombo. De broodheren zijn in al die jaren dezelfden gebleven, zegt de weduwe. De opdrachtgevers noemt ze ,,de apartheidsmensen'', die hun mannen in de jaren zeventig en tachtig ook naar oorlogen stuurden die de hunne niet waren. Buffalo Soldiers.

De Zuid-Afrikaanse regering introduceerde in 1998 een wet die het rekruteren van huurlingen verbiedt: de Foreign Military Assitance Act. Onder druk van die wet werden bedrijven als Executive Outcomes ontmanteld. In vijf jaar tijd heeft de wet één arrestatie opgeleverd. De 43-jarige Fransman Richard Rouget, die in 1989 een Zuid-Afrikaans paspoort kreeg, werd vorige week opgepakt op de luchthaven van Johannesburg. Hij zou huursoldaten hebben geworven voor de oorlog in Ivoorkust.

Is het toeval dat de eerste arrestatie sinds 1998 uitgerekend een Fransman is? ,,Jazeker'', zegt Sipho Ngwema, woordvoerder van de speciale onderzoekseenheid `De Schorpioenen'. ,,Het is de eerste keer dat we harde bewijzen hebben.'' Volgens Ngwema is de Zuid-Afrikaanse regering in toenemende mate bezorgd over de activiteiten van Zuid-Afrikaanse huurlingen.

,,We hebben dertig verdachten op het oog'', zegt Ngwema. Hun werk zou president Thabo Mbeki's idee van een Afrikaanse renaissance ondermijnen. Of de verdachten uit Pomfret komen, kan hij niet zeggen. Het ministerie van Defensie kondigde begin 2001 al een onderzoek aan naar de huurlingen in Pomfret. Vooralsnog, zonder succes.

Joaquim Magita Miguel verbaast dat niet. Hij reisde zelf zeven keer de Zuid-Afrikaanse grens voor `baantjes' elders in Afrika, tot hij er in 1997 genoeg van had. Nu ligt hij met hart- en longproblemen in het ziekenhuis, zestig kilometer buiten Pomfret. Hij denkt dat alle onderzoeken naar de activiteiten van het 32ste bataljon uiteindelijk zullen stranden. De veteranen worden volgens hem nog steeds beschermd door de blanke generaals in het leger. Alleen ouderdom en ziektes binden de soldaten van Buffalo aan huis. Bijna twintig jaar na de oprichting van het bataljon, slaat bij steeds meer strijders de vermoeidheid toe.